ECLI:NL:RBHAA:2009:BL0818

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
15-741001-08
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 227b SrArt. 35 Algemene nabestaandenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor sociale zekerheidsfraude door verzwijging gezamenlijke huishouding bij Algemene nabestaandenwet

De rechtbank Haarlem heeft verdachte veroordeeld wegens sociale zekerheidsfraude door het opzettelijk niet melden van het samenwonen met een partner aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gedurende de periode van 1 juli 1999 tot en met 12 mei 2009. Verdachte ontving in die periode een uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (Anw) en verzweeg dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met medeverdachte, wat invloed had op de hoogte van de uitkering.

Het bewijs bestond uit verklaringen van medeverdachte, de zoon van verdachte en diverse getuigen die bevestigden dat verdachte en medeverdachte al jarenlang samenwoonden en een gezin vormden. Verdachte voerde aan geen gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd, maar de rechtbank achtte dit niet geloofwaardig. De SVB had na een anonieme melding een onderzoek ingesteld, waarbij bleek dat verdachte onjuiste gegevens verstrekte op formulieren.

De rechtbank oordeelde dat verdachte opzettelijk de SVB en daarmee de gemeenschap heeft benadeeld voor een bedrag van €122.424,48. Gezien de ernst en de lange duur van de fraude, maar ook het feit dat verdachte een first offender is, legde de rechtbank een gevangenisstraf van twee maanden geheel voorwaardelijk op, gecombineerd met een werkstraf van 240 uur, die bij niet-nakoming kan worden omgezet in 120 dagen hechtenis.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een werkstraf van 240 uur wegens het opzettelijk verzwijgen van een gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector Strafrecht
Locatie Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/741001-08
Uitspraakdatum: 15 december 2009
Tegenspraak
Strafvonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 december 2009 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [adres].
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2000 tot en met 12 mei 2009 te Haarlem, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk(e) voorschrift(en), te weten artikel 35 Algemene Pro Nabestaanden Wet, opgelegde verplichting(en), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, immers heeft zij, verdachte, (telkens) opzettelijk verzwegen voor en/of nagelaten te melden aan de Sociale Verzekeringsbank (Haarlem) dat zij, verdachte, in de periode van 1 juli 1999 tot en met 12 mei 2009 (althans in delen daarvan) samenwoonde met, althans een gezamelijke huishouding voerde met [medeverdachte] (op het adres [adres] te Haarlem) , zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming krachtens de Algemene Nabestaanden Wet en/of voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:
- bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;
- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden;
- oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.
4. Bewijs
4.1. Redengevende feiten en omstandigheden
Verdachte, die sinds 1989 weduwe is, ontvangt sedert 1 december 1989 een uitkering krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Met ingang van 1 juli 1996 is deze uitkering omgezet in een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (hierna Anw). Nadat op 27 juni 2008 een anonieme melding bij de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) werd ontvangen, is een nader onderzoek ingesteld naar de leefsituatie van verdachte. Zij zou namelijk samenwonen met medeverdachte [medeverdachte]. Uit het uitkeringendossier van verdachte en de gegevensbestanden van de SVB bleek niet van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Dit gegeven is van invloed op de hoogte van de Anw-uitkering. Op elk – door verdachte ingevuld en ondertekend – inkomensopgave-formulier staat onderaan vermeld dat bij onjuiste verstrekking van inlichtingen of een te laat doorgeven van wijzigingen in de persoonlijke omstandigheden, een boete opgelegd kan worden door de SVB. Bovendien verzendt de SVB halfjaarlijks een informatiebulletin, genaamd ‘uw AOW/Anw’, waarin steeds relevante informatie over verplichtingen is opgenomen.
Verdachte heeft aangevoerd dat zij in de betreffende periode geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig en overweegt daartoe als volgt.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in 1995 definitief bij verdachte is ingetrokken in haar woning in de [adres] te Haarlem, dat zij een financiële bijdrage leveren in elkaars onderhoud en dat ze voor elkaar zorgen. Zij hebben ongeveer vijf jaar geleden gesproken over het feit dat verdachte een Anw-uitkering ontvangt en dat ze die uitkering zou verliezen als medeverdachte [medeverdachte] op haar adres ingeschreven zou staan. Daarom is besloten medeverdachte [medeverdachte] ingeschreven te laten staan op het adres [adres 2] te Amsterdam om daar zijn post te kunnen blijven ontvangen. Voor deze service betaalde hij € 200,- per maand aan zijn huisbaas. Hij heeft een schuld van ongeveer € 13.000,- en door die schuld kon hij het gezin niet onderhouden. De zoon van verdachte, [zoon] heeft verder verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] al meer dan tien jaar de vriend van zijn moeder is en dat ze proberen samen een gezin te vormen. Voor zijn gevoel is [medeverdachte] zijn vader. Verder blijkt uit diverse getuigenverklaringen dat verdachte al jaren samenwoont met medeverdachte [medeverdachte]. Zo heeft getuige [getuige 1], die woonachtig is op nummer [nr] in de [straatnaam], verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] ongeveer anderhalf jaar na het overlijden van de echtgenoot van verdachte, bij haar is gaan wonen. Ook getuige [getuige 2], die woonachtig is geweest op nummer [nr] in de [straatnaam], heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] ongeveer tweeënhalf jaar na het overlijden van de echtgenoot van verdachte bij haar is gaan wonen en dat hij daarna niet meer weg is geweest. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat toen hij zes jaar geleden in de straat op nummer [nr] kwam wonen, hij niet beter wist dan dat de man, vrouw en kind van nummer 6 een stel waren. Al vrij snel heeft verdachte hem verteld dat de zoon, [zoon], haar zoon uit haar eerste huwelijk is. Zij vertelde de getuige ook dat [medeverdachte] een huisje had in de [adres 2] te Amsterdam.
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen zoals die hiervoor zijn aangehaald tot het oordeel, dat is komen vast te staan dat verdachte een gezamenlijke huishouding voerde met medeverdachte [medeverdachte].
4.2. Bewezenverklaring
Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:
zij in de periode van 1 juli 2000 tot en met 12 mei 2009 te Haarlem, in strijd met artikel 35 Algemene Pro Nabestaanden Wet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, immers heeft zij, verdachte, telkens opzettelijk verzwegen voor en/of nagelaten te melden aan de Sociale Verzekeringsbank (Haarlem) dat zij, verdachte, in de periode van 1 juli 1999 tot en met 12 mei 2009 (althans in delen daarvan) samenwoonde met, althans een gezamenlijke huishouding voerde met [medeverdachte] (op het adres [adres] te Haarlem), zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming krachtens de Algemene Nabestaanden Wet en voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming.
Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op:
in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering van sancties
Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft langdurig en stelselmatig op formulieren van de SVB te Haarlem, welke op haar naam waren gesteld, onjuiste inlichtingen verstrekt. Immers, door verdachte is in de in de tenlastelegging genoemde periode niet gemeld bij de SVB dat zij samenwoonde met een partner, terwijl zij een uitkering genoot krachtens de Anw.
Verdachte heeft aldus handelend de SVB en daarmee de gemeenschap opzettelijk voor een geldbedrag van € 122.424,48 benadeeld.
Op grond van de ernst van het feit, met name het nadeel en de lange periode waarin deze benadeling heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat een deels vrijheidsbenemende straf gerechtvaardigd is. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf opleggen in de vorm van een werkstraf van na te noemen duur.
De rechtbank komt tot een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist. Daarbij neemt de rechtbank met name in aanmerking dat verdachte first offender is.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 22c, 22d, 227b van het Wetboek van Strafrecht
35 van de Algemene nabestaandenwet.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden.
Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.
10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,
mrs. A. Eichperger en F.S.N. Nasrullah-Oemar, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 december 2009.