ECLI:NL:RBHAA:2010:BL6559

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
24 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
366500 CV EXPL 07-11367
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) 261/2004Art. 7 Verordening (EG) 261/2004
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie bij vluchtvertraging van meer dan 25 uur volgens EU-verordening

In deze zaak vorderen eisers compensatie van Martinair op grond van de EU-verordening inzake passagiersrechten vanwege een aanzienlijke vluchtvertraging. De vertraging bedroeg meer dan 25 uur, wat volgens het Hof van Justitie gelijkgesteld wordt aan een annulering, waardoor volledige compensatie verschuldigd is.

Martinair voerde als verweer dat er geen sprake was van annulering maar slechts van vertraging en dat de vertraging veroorzaakt werd door buitengewone omstandigheden, namelijk een technisch mankement. De kantonrechter verwijst naar prejudiciële uitspraken van het Hof van Justitie waarin is bepaald dat een vertraging van meer dan drie uur gelijkstaat aan annulering en dat technische mankementen in principe niet als buitengewone omstandigheden gelden tenzij deze niet inherent zijn aan de normale bedrijfsuitoefening.

De kantonrechter oordeelt dat de vertraging van meer dan 25 uur recht geeft op volledige compensatie en dat het beroep op buitengewone omstandigheden niet slaagt omdat het technisch mankement inherent is aan de normale bedrijfsvoering van Martinair. Martinair wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, compensatie, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

Uitkomst: Martinair wordt veroordeeld tot volledige compensatie wegens een vluchtvertraging van meer dan 25 uur, met verwerping van het beroep op buitengewone omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector kanton
Locatie Haarlem
zaak/rolnr.: 366500/ CV EXPL 07-11367
datum uitspraak: 24 februari 2010
VONNIS VAN DE KANTONRECHTER
inzake
[eisers]
te [woonplaats]
eisende partijen
hierna te noemen [eisers]
gemachtigde mr. P.N. Meijer (DAS Rechtsbijstand)
tegen
de naamloze vennootschap MARTINAIR
te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer
Martinair
hierna te noemen Martinair
gemachtigde mr. D.E. Sikkens
De verdere procedure
De kantonrechter neemt over en verwijst naar hetgeen in het tussenvonnis van 14 mei 2008 is overwogen en beslist. Ingevolge dit vonnis is de zaak aangehouden totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op de in dit vonnis genoemde prejudiciële vragen heeft beslist. [eisers] hebben vervolgens een akte genomen. Martinair heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet meer schriftelijk gereageerd.
De verdere beoordeling van het geschil
1. Tussen partijen is niet in geschil dat de verordening van toepassing is op onderhavig geschil.
2. [eisers] stellen zich op het standpunt dat sprake is van annulering en vorderen daarom compensatie op basis van de verordening. Martinair heeft primair als verweer gevoerd dat van een annulering geen sprake was, maar slechts van vertraging en subsidiair dat sprake was van buitengewone omstandigheden, als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de verordening.
3. Ten aanzien van het primaire verweer wordt als volgt overwogen. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in haar arrest van 19 november 2009, zaaknummers C-402/07 en C-432/07, een prejudiciële beslissing gegeven over –onder meer- de vraag onder welke omstandigheden niet langer sprake is van vertraging, maar van annulering en of de duur van de vertraging daarbij bepalend is. Samenvattend heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld dat passagiers van vertraagde vluchten voor de toepassing van het recht op schadevergoeding met passagiers van geannuleerde vluchten kunnen worden gelijkgesteld en aldus aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van Pro de verordening bedoelde compensatie wanneer zij tenminste drie uur later dan de oorspronkelijk geplande aankomsttijd op hun eindbestemming aankomen, waarbij de compensatie overeenkomstig artikel 7 lid 2 sub c van Pro de verordening met 50% kan worden verlaagd wanneer de vertraging minder dan vier uur bedraagt. Hieraan doet niet af dat de verordening in geval van vertraging voorziet in verschillende vormen van bijstand.
4. Gelet op dit arrest kan het door Martinair gevoerde verweer dat geen sprake is van annulering, maar van vertraging haar niet baten. Vast staat immers dat [eisers] meer dan 25 uur later dan de oorspronkelijke geplande aankomsttijd op hun eindbestemming zijn aangekomen, zodat zij aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van Pro de verordening bedoelde compensatie. Voor een korting van 50% op deze vergoeding bestaat geen aanleiding, aangezien de vertraging meer dan vier uur bedraagt.
5. Vervolgens ligt de vraag voor of de door Martinair gestelde oorzaak van de annulering, een technisch mankement, van de vlucht heeft te gelden als een buitengewone omstandigheid als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de verordening. Dit artikel luidt: “Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, is niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 indien Pro zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.”
6. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in haar arrest van 22 december 2008, zaaknummer C-549/07 hieromtrent een prejudiciële beslissing gegeven. Daarbij is samenvattend geoordeeld dat een technisch mankement bij een luchtvaartuig dat annulering van een vlucht tot gevolg heeft, niet valt onder het begrip „buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 5 lid Pro 3, tenzij dit probleem voortvloeit uit gebeurtenissen die wegens hun aard of hun oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij en waarop deze geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.
7. Gelet op dit arrest is de kantonrechter van oordeel dat het door Martinair gedane beroep op buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de verordening niet kan slagen. De door Martinair aangevoerde feiten en omstandigheden zijn inherent aan de normale uitoefening van de activiteit van Martinair en gesteld noch gebleken is dat zij hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.
8. Een en ander leidt tot de conclusie dat de gevorderde hoofdsom moet worden toegewezen. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen.
9. Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden toegewezen nu de door [eisers] verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Deze kosten zijn aan te merken als redelijke kosten die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen en wel voor een bedrag overeenkomstig het in rapport Voorwerk II vastgelegde tarief van € 178,50.
10. De proceskosten komen voor rekening van Martinair omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.
De beslissing
De kantonrechter:
- veroordeelt Martinair tot betaling aan [eisers] van € 1.378,50 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 4 mei 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening;
- veroordeelt Martinair tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eisers] tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:
dagvaarding € 84,31
vastrecht € 199,00
salaris gemachtigde € 375,00;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Boom en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.