2. Overwegingen
2.1 In december 2008 heeft eiser een aanvraag indicatie Wsw ingediend bij het CWI (vanaf 1 januari 2009 UWV Werkbedrijf). Verweerder heeft advies ingewonnen bij een arbeidsdeskundige, en bedrijfsarts en een psycholoog. Aan de hand van de voorgeschreven beslistabel indicatie Wsw heeft verweerder beslist dat eiser niet aan de ondergrenscriteria van de Wsw voldoet. Geconcludeerd wordt dat de tijd die nodig zal zijn voor de persoonlijke begeleiding van eiser niet beperkt kan blijven tot 15% van de te werken arbeidstijd.
2.2 Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft verweerder zich gewend tot het multidisciplinair overleg (MDO). Het MDO, bestaande uit een arts, psycholoog en arbeidsdeskundige, heeft na bestudering van het dossier, geconcludeerd dat eiser niet tot de doelgroep van de Wsw behoort. Het MDO zag geen reden te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de psycholoog die in de primaire fase verweerder heeft geadviseerd.
2.3 Eiser stelt in beroep allereerst dat het primaire besluit aan een motiveringsgebrek lijdt en dat verweerder dit ook heeft erkend. Dit had tot een gegrondverklaring van het bezwaar moeten leiden en derhalve tot vergoeding van de proceskosten.
2.4 De rechtbank overweegt dat van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, Awb eerst sprake is indien het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Na bezwaar heeft verweerder de voor afwijzing gegeven motivering aangepast, maar het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Er is dan ook geen sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, Awb en vastgesteld wordt dan ook dat verweerder terecht niet is overgegaan tot vergoeding van de proceskosten van de bezwaarprocedure.
2.5 De rechtbank overweegt voorts het volgende. Verweerder heeft het standpunt betrokken dat eiser niet tot de doelgroep van de Wsw behoort omdat hij voortdurend aansturing en begeleiding nodig heeft bij het verrichten van arbeid. De tijd die nodig is voor persoonlijke begeleiding is meer dan 15% van de te werken arbeidstijd. Eiser voldoet daarmee niet aan het zogeheten ondergrenscriterium van de Wsw. Verweerder heeft zich daarbij (mede) gebaseerd op de uitgebrachte adviezen.
2.6 Eiser stelt dat nader onderzoek had dienen plaats te vinden naar zijn gezondheidssituatie en dat de conclusies van zijn behandelend psychiater onvoldoende betrokken zijn bij de beoordeling. Ten onrechte is alleen afgegaan op het dossier. Daarbij merkt eiser op dat ook niet duidelijk is hoe het MDO tot het uiteindelijke oordeel is gekomen en evenmin valt vast te stellen of alle deelnemers van te voren bekend waren met de inhoud van het dossier. In zoverre is het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Eiser heeft erop gewezen dat hij zelf met aanvullende informatie is gekomen. Eiser betoogt dat hij wel degelijk aan het ondergrenscriterium voldoet. Eiser acht zich in staat om minimaal 1 uur zonder begeleiding te functioneren. Hij beroept zich op de rapportage van zijn behandelend psychiater, die hem uitvoerig heeft onderzocht. Uit die gegevens kan worden afgeleid dat hij wel degelijk voldoende capaciteit heeft om tot een indicatie te komen als gevraagd.
2.7 Artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb luidt: De beslissing op het bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
2.8 Artikel 3:49 van de Awb luidt: Ter motivering van een besluit of onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.
2.9 Artikel 3:2 van de Awb luidt: Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
2.10 Artikel 3:9 van de Awb luidt: Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
2.11 Hierin ligt besloten dat van een deugdelijke advisering slechts dan sprake kan zijn indien uit dat advies tenminste blijkt op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Indien de belanghebbende het medische advies op een of meer punten concreet onderbouwd weerspreekt, kan het bestuursorgaan daaraan niet zonder meer voorbijgaan door te volharden in de — enkele — verwijzing naar het advies.
2.12 Hoewel ook de rechtbank van oordeel is dat het uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming de voorkeur zou hebben verdiend indien de psycholoog (al in de primaire fase) informatie had ingewonnen bij de GGZ, waar eiser onder behandeling is (geweest), acht de rechtbank het nalaten daarvan niet zodanig onzorgvuldig dat om die reden het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat de psycholoog een eigen onderzoek heeft verricht aan de hand van gebruikelijke onderzoeksmethoden. Bovendien is de rapportage van de GGZ door het MDO in bezwaar wel meegenomen in de beoordeling. In de rapportage van de MDO van 29 juni 2009 staat onder het kopje motivering weergegeven op basis van welke overwegingen de MDO tot zijn conclusie is gekomen. Tenslotte ziet de rechtbank in hetgeen eiser omtrent zijn (persoonlijk en sociaal) functioneren naar voren heeft gebracht onvoldoende aanknopingspunten om zijn standpunt, dat hij wel aan het ondergrenscriterium voldoet, te volgen. Op grond van de beschikbare gegevens kan de rechtbank niet tot een ander oordeel komen dan dat hij niet aan genoemd criterium voldoet.
2.13 De rechtbank voegt hier nog aan toe dat het op grond van de stukken voor eiser wel aangewezen lijkt dat hij (eerst) via een andere weg dan in Wsw verband (bijvoorbeeld via een vorm van dagbesteding) aan zijn functioneren te gaan werken. Wellicht kan eiser dan op een later moment met succes opnieuw een aanvraag in het kader van de Wsw indienen.
2.14 Het vorenstaande betekent dat verweerder op de adviezen heeft mogen afgaan. Het besluit is niet strijdig met de artikelen 3:2 en 3:9 Awb. Het bestreden besluit kan stand houden. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskosten-veroordeling is geen aanleiding.