ECLI:NL:RBHAA:2010:BN2787
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A.C. Hofman
- K.I. de Jong
- W.S.J. Thijs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing preferente vordering werknemer op moedervennootschap na faillissement
De werknemer vorderde toelating van zijn preferente vordering op de moedervennootschap KPNQwest N.V. na faillissement van zowel de moedervennootschap als haar dochtervennootschap KPNQwest IP Services B.V. De werknemer stelde dat hij in dienst was geweest bij de moedervennootschap en dat op grond van artikel 3:288 sub e BW Pro zijn loonvordering preferentie toekomt. Daarnaast beriep hij zich op de 403-verklaring van de moedervennootschap, waardoor deze hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor schulden van de dochtervennootschap.
De rechtbank oordeelde dat de vordering van de werknemer alleen preferentie kan ontlenen jegens de dochtervennootschap, omdat het sociaal plan waarop de vordering is gebaseerd alleen geldt voor werknemers van de dochtervennootschap. De stelling dat de moedervennootschap en dochtervennootschap op grond van redelijkheid en billijkheid met elkaar vereenzelvigd moeten worden, werd verworpen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
Voorts stelde de rechtbank dat de 403-verklaring slechts hoofdelijk aansprakelijkheid creëert voor schulden uit rechtshandelingen van de dochtervennootschap, maar niet leidt tot uitbreiding van het voorrecht van de werknemer op het vermogen van de moedervennootschap. De vordering werd daarom afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de werknemer tot preferentie op de moedervennootschap wordt afgewezen.