ECLI:NL:RBHAA:2010:BN3575

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
4 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
418277 CV EXPL 09-2925
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regresvordering na beëindiging schuldsanering tussen voormalige echtgenoten

In deze zaak gaat het om een regresvordering tussen voormalige echtgenoten, eiseres en gedaagde, die tijdens hun huwelijk een kredietovereenkomst met de CMV-Bank hebben gesloten. Bij de echtscheiding is de schuld aan de bank aan gedaagde toebedeeld. Gedaagde voldeed echter niet aan zijn betalingsverplichtingen, waardoor de bank eiseres aansprakelijk stelde. Eiseres heeft een deel van de schuld betaald en gedaagde is vervolgens in de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) terechtgekomen. Zowel de bank als eiseres stonden op de lijst van erkende crediteuren. Na de beëindiging van de schuldsanering ontvingen beide partijen een deel van het aan hen toekomende bedrag. De bank heeft eiseres aangesproken voor de restschuld, die eiseres gedeeltelijk heeft voldaan, waarna de bank haar finale kwijting verleende.

Eiseres vordert nu betaling van gedaagde voor het bedrag dat zij na de beëindiging van de schuldsanering aan de bank heeft betaald. De kantonrechter wijst de vordering af op basis van artikel 299 lid 1 sub e WSNP, omdat het gaat om een regresvordering die voortvloeit uit een rechtsbetrekking die al bestond ten tijde van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechter oordeelt dat eiseres niet in haar redenering kan worden gevolgd, aangezien de vordering een regresvordering betreft die niet onder de nieuwe schulden valt die na de beëindiging van de schuldsanering zijn ontstaan. De proceskosten worden aan eiseres opgelegd, omdat zij in het ongelijk is gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector kanton
Locatie Haarlem
zaak/rolnr.: 418277/ CV EXPL 09-2925
datum uitspraak: 4 augustus 2010
VONNIS VAN DE KANTONRECHTER
inzake
[eiseres]
te [woonplaats]
eiseres
hierna te noemen [eiseres]
gemachtigde mr. A.M. Truijens
tegen
[gedaagde]
te [woonplaats]
gedaagde
hierna te noemen [gedaagde]
gemachtigde mr. L.J. Woltring
De procedure
[eiseres] heeft [gedaagde] gedagvaard op 12 maart 2009. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 13 mei 2009 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2009 en waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.
[eiseres] heeft voorafgaande aan de comparitie producties in het geding gebracht.
De zaak is vervolgens aangehouden voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiseres].
[eiseres] heeft bij akte na comparitie producties overgelegd en haar vordering vermeerderd.
[gedaagde] heeft bij antwoordakte gereageerd, eveneens onder overlegging van producties.
De feiten
1. [eiseres] en [gedaagde] zijn op 14 juli 1995 in gemeenschap van goederen gehuwd.
2. Op 25 november 1999 zijn partijen met de CMV-Bank (hierna: CMV) een kredietovereenkomst aangegaan voor een bedrag van ƒ 48.000,00.
3. Op 29 augustus 2000 heeft de rechtbank te Haarlem de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, waarbij onder meer is beslist dat [gedaagde] de schuld bij CMV voor zijn rekening neemt.
4. Tegen de echtscheidingsbeschikking is geen hoger beroep ingesteld.
5. Op 20 april 2001 heeft de toenmalige incassogemachtigde van CMV [eiseres] gesommeerd tot betaling van ƒ 48.547,43 omdat “de eerste contractant niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet”.
6. Op 8 januari 2002 heeft de deurwaarder [eiseres] gesommeerd tot betaling van € 22.029,86 in verband met de schuld aan CMV.
7. Op 19 februari 2002 zijn [eiseres] en CMV een betalingsregeling overeengekomen van € 65,00 per maand ingaande 15 maart 2002.
8. Bij vonnis van 13 oktober 2004 is [gedaagde] bij verstek veroordeeld tot betaling aan CMV van € 22.854,06.
9. Bij vonnis van 30 november 2004 heeft de rechtbank te Haarlem ten aanzien van [gedaagde] de definitieve schuldsanering uitgesproken.
10. Op de lijst van erkende crediteuren is [eiseres] voor het tot dat moment door haar aan CMV betaalde bedrag van € 3.900,00 opgenomen. Ook is CMV op de lijst opgenomen voor een bedrag van € 22.859,02 ter zake van de schuld van [gedaagde] aan CMV.
11. Op 18 september 2007 heeft de rechtbank te Haarlem de schuldsanering van [gedaagde] beëindigd.
12. Aan [eiseres] is in het kader van het verbindend worden van de slotuitdelingslijst een bedrag van € 3.173,93 voldaan. CMV heeft een bedrag van € 18.603,29 ontvangen.
13. Op 17 januari 2008 heeft de deurwaarder aan [eiseres] medegedeeld dat van de schuld aan CMV een bedrag van € 6.841,94 resteert.
14. Bij brief van 21 januari 2008 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] verzocht een voorstel te doen ter afbetaling van de restantschuld aan CMV.
15. Op 29 januari 2008 heeft [gedaagde] geantwoord aan al zijn verplichtingen te hebben voldaan en door de rechtbank schuldvrij te zijn verklaard.
16. [eiseres] is vanaf 29 januari 2008 ter afbetaling van de restantschuld maandelijks een bedrag van € 68,41 aan CMV gaan voldoen.
17. Op 8 februari 2008 heeft de gemachtigde van [eiseres] onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven:
“Ik wijs u nadrukkelijk op dat deze schuld een nieuwe schuld betreft die niet onder de zogenaamde schone lei valt. Gezien de beschikking van de Rechtbank Haarlem van destijds zal cliënte dit bedrag bij U terugvorderen (na datum schuldsanering).”
18. Bij brief van 12 januari 2010 heeft de deurwaarder aan [eiseres] medegedeeld dat zij, na betaling van 27 maandtermijnen van € 68,41 de schuld aan CMV tegen finale kwijting heeft voldaan en dat het dossier wordt gesloten.
De vordering
[eiseres] vordert, na haar vordering te hebben vermeerderd, (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.847,07. [eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat zij, na het einde van de schuldsanering van [gedaagde], in totaal 27 maal € 68,41, derhalve € 1.847,07 ter voldoening van de vordering van CMV heeft betaald. [eiseres] heeft ingevolge de onherroepelijke beschikking van de rechtbank van 29 augustus 2000 ter zake van dit bedrag verhaal op [gedaagde]. [gedaagde] dient derhalve € 1.847,07 aan [eiseres] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2007, de datum waarop de schuldsanering van [gedaagde] is geëindigd.
Het verweer
[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan dat hij op grond van het verbindend worden van de slotuitdelingslijst zowel jegens [eiseres] als CMV is gekweten. Mede gelet op het feit dat bij de echtscheiding aan [gedaagde] een schuld van € 40.000,00 is toegedeeld, terwijl [eiseres] slechts een schuld van € 4.000,00 voor haar rekening heeft genomen, zou het in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn om [gedaagde], die jarenlang bezig is geweest om de schuld aan CMV af te lossen, thans aan te spreken voor het gedeelte dat [eiseres] aan CMV heeft betaald.
Het had bovendien op de weg van [eiseres] gelegen om ervoor te zorgen dat zij uit de hoofdelijkheid jegens CMV was ontslagen. Nu zij dit niet heeft gedaan, dient de omstandigheid dat zij door CMV tot betaling van de restantschuld is aangesproken, voor haar risico te komen.
De beoordeling van het geschil
Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen en beslist, is er geen aanleiding om [eiseres] in de gelegenheid te stellen op de door [gedaagde] bij antwoordakte in het geding gebrachte producties te reageren, nu dit niet tot een andere beslissing kan leiden.
Ingevolge artikel 358 Wet Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) is door de beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 356 lid 2 WSNP, de vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan is gebleven, niet langer afdwingbaar.
Volgens [eiseres] is de onderhavige vordering een nieuwe schuld waarop artikel 356 lid 2 WSNP niet van toepassing is, omdat het gaat om een bedrag dat [eiseres] aan CMV heeft voldaan, nadat de schuldsaneringsregeling van [gedaagde] was beëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst.
[eiseres] kan niet in haar redenering worden gevolgd, aangezien de onderhavige vordering een regresvordering betreft uit hoofde van een reeds ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaande rechtsbetrekking. De vordering dient derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 299 lid 1 sub e WSNP, te worden afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.
De beslissing
De kantonrechter:
- wijst de vordering af;
- veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag worden begroot op € 300,00 salaris gemachtigde;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.