ECLI:NL:RBHAA:2010:BN3756

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
5 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/3902
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 8:4 AwbArt. 438 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet tegen dwangbevel na inwerkingtreding vierde tranche Awb

De zaak betreft een dwangbevel uitgevaardigd door het college van burgemeester en wethouders van Haarlem wegens een openstaande schuld van €2.127,35. Belanghebbende heeft tegen dit dwangbevel verzet aangetekend binnen de door verweerder genoemde termijn van zes weken.

De rechtbank overweegt dat de verweerder ten onrechte heeft aangegeven dat verzet mogelijk is. Met de inwerkingtreding van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) per 1 juli 2009 is de verzetprocedure tegen dwangbevelen afgeschaft. Dit geldt ook voor dwangbevelen die zijn uitgevaardigd na deze datum, zoals in dit geval.

De rechtbank verwijst naar artikel 8:4 Awb Pro waarin is bepaald dat tegen een dwangbevel geen beroep of bezwaar kan worden ingesteld. De wetgever heeft de verzetprocedure laten opgaan in het executiegeschil bij de burgerlijke rechter op grond van artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De termijn van zes weken die verweerder heeft genoemd is daarom onjuist.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het ingediende verzetschrift niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de verzetprocedure sinds 1 juli 2009 is komen te vervallen.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 10 - 3902
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak van:
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
belanghebbende
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,
verweerder
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2010 heeft verweerder in verband met een schuld die belanghebbende heeft aan verweerder, een dwangbevel uitgevaardigd.
Tegen dit besluit heeft belanghebbende bij brief van 12 juli 2010 verzet aangetekend.
Verweerder heeft desgevraagd op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
2. Overwegingen
2.1 In het dwangbevel van 6 juli 2010 heeft verweerder aangegeven dat belanghebbende een schuld heeft aan verweerder, ten bedrage van € 2.127,35. Hierbij heeft verweerder aan belanghebbende aangegeven dat, indien zij het niets eens is met het dwangbevel, zij binnen zes weken verzet kan indienen bij de rechtbank, waarbij voldaan zou moeten worden aan het bepaalde in artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.2 De rechtbank overweegt dat verweerder ten onrechte aan belanghebbende heeft aangegeven dat tegen het dwangbevel de mogelijkheid van verzet zou openstaan. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
2.3 Met ingang van 1 juli 2009 is de vierde tranche Awb in werking getreden, waarmee – onder meer – wettelijke bepalingen inzake bestuursrechtelijke geldschulden in de Awb in werking zijn getreden. Met de inwerkingtreding van de vierde tranche Awb per
1 juli 2009, bestaat de verzetprocedure tegen het dwangbevel niet langer.
2.4 In het onderhavige geval is gebleken dat de verplichting tot betaling van de geldsom door belanghebbende is ontstaan na de inwerkingtreding van de Wet Vierde tranche Awb, zodat gelet hierop het nieuwe recht van toepassing is op het door verweerder uitgevaardigde dwangbevel.
2.5 In artikel 8:4, aanhef en onder m, van de Awb is bepaald dat geen beroep (en daarmee geen bezwaar) kan worden ingediend tegen een besluit inhoudende een dwangbevel.
2.6 Uit de Memorie van Toelichting (MvT, Kamerstukken II, 29702, pagina’s 24 en 61 e.v.) blijkt voorts dat de onder het oude recht bestaande mogelijkheid van het indienen van verzet tegen een dwangbevel, met de inwerkingtreding van de vierde tranche is komen te vervallen. De wetgever heeft ervoor gekozen om het verzet te laten opgaan in het executiegeschil van artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hierbij is opgemerkt dat een executiegeschil – volgens de regels van het burgerlijk procesrecht – wordt aangespannen door dagvaarding van de rechtspersoon waarvan het bestuursorgaan deel uitmaakt. In het executiegeschil blijft de civiele rechter de bevoegde rechter. De wetgever heeft geoordeeld dat een beroepsmogelijkheid tegen het dwangbevel overbodig is, omdat in de regel tegen het besluit waaruit de betalingsverplichting voortvloeit reeds bezwaar en beroep heeft opengestaan en bovendien het dwangbevel in rechte kan worden aangevochten in het kader van een executiegeschil bij de burgerlijke rechter op grond van artikel 438 Rv Pro. Het executiegeschil behoeft niet binnen een bepaalde termijn aanhangig worden gemaakt, afgezien van een redelijke termijn. De door verweerder in het dwangbevel genoemde termijn van zes weken, is derhalve ook onjuist.
2.7 Het ingediende verzetschrift zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het ingediende verzetschrift niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.