ECLI:NL:RBHAA:2010:BN4371

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
16 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/3317
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 8:4 AwbArt. 438 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van verzet tegen dwangbevel na inwerkingtreding vierde tranche Awb

De rechtbank Haarlem behandelde een zaak waarin belanghebbende verzet aantekende tegen een dwangbevel van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer. Het dwangbevel was uitgevaardigd op 9 juni 2010 vanwege een schuld van € 8.140,37.

De rechtbank overwoog dat verweerder ten onrechte had aangegeven dat verzet mogelijk was tegen het dwangbevel. Met de inwerkingtreding van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 1 juli 2009 is de verzetprocedure tegen dwangbevelen afgeschaft. De betalingplicht van belanghebbende was ontstaan na deze datum, waardoor het nieuwe recht van toepassing was.

Volgens artikel 8:4 Awb Pro kan geen beroep of bezwaar worden ingediend tegen een dwangbevel. De wetgever heeft ervoor gekozen de verzetprocedure te laten opgaan in het executiegeschil bij de civiele rechter, geregeld in artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit executiegeschil kan zonder vaste termijn worden gestart en is de juiste weg voor bezwaar tegen een dwangbevel.

De rechtbank verklaarde het ingediende verzet daarom niet-ontvankelijk en wees tevens op het ontbreken van een rechtsmiddel tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verzet niet meer mogelijk is na de vierde tranche Awb.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 10-3317
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak van:
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
belanghebbende
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,
verweerder
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2010 heeft verweerder in verband met een schuld die belanghebbende heeft aan verweerder, een dwangbevel uitgevaardigd.
Tegen dit besluit heeft belanghebbende bij brief van 30 juni 2010, ontvangen bij de rechtbank op 6 juli 2010, verzet aangetekend.
2. Overwegingen
2.1 In het dwangbevel van 9 juni 2010 heeft verweerder aangegeven dat belanghebbende een schuld heeft aan verweerder, ten bedrage van € 8.140,37. Hierbij heeft verweerder aan belanghebbende aangegeven dat, indien zij het niets eens is met het dwangbevel, zij binnen zes weken verzet kan indienen bij de rechtbank Haarlem, sector bestuursrecht, waarbij voldaan zou moeten worden aan het bepaalde in artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.2 De rechtbank overweegt dat verweerder ten onrechte aan belanghebbende heeft aangegeven dat tegen het dwangbevel de mogelijkheid van verzet zou openstaan. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
2.3 Met ingang van 1 juli 2009 is de vierde tranche Awb in werking getreden, waarmee
– onder meer – wettelijke bepalingen inzake bestuursrechtelijke geldschulden in de Awb in werking zijn getreden. Met de inwerkingtreding van de vierde tranche Awb per 1 juli 2009, bestaat de verzetprocedure tegen het dwangbevel niet langer.
2.4 In het onderhavige geval is gebleken dat de verplichting tot betaling van de geldsom door belanghebbende is ontstaan na de inwerkingtreding van de Wet Vierde tranche Awb, zodat gelet hierop het nieuwe recht van toepassing is op het door verweerder uitgevaardigde dwangbevel.
2.5 In artikel 8:4, aanhef en onder m, van de Awb is bepaald dat geen beroep (en daarmee geen bezwaar) kan worden ingediend tegen een besluit inhoudende een dwangbevel.
2.6 Uit de Memorie van Toelichting (MvT, Kamerstukken II, 29702, pagina’s 24 en 61 e.v.) blijkt voorts dat de onder het oude recht bestaande mogelijkheid van het indienen van verzet tegen een dwangbevel, met de inwerkingtreding van de vierde tranche is komen te vervallen. De wetgever heeft ervoor gekozen om het verzet te laten opgaan in het executiegeschil van artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hierbij is opgemerkt dat een executiegeschil – volgens de regels van het burgerlijk procesrecht – wordt aangespannen door dagvaarding van de rechtspersoon waarvan het bestuursorgaan deel uitmaakt. In het executiegeschil blijft de civiele rechter de bevoegde rechter. De wetgever heeft geoordeeld dat een beroepsmogelijkheid tegen het dwangbevel overbodig is, omdat in de regel tegen het besluit waaruit de betalingsverplichting voortvloeit reeds bezwaar en beroep heeft opengestaan en bovendien het dwangbevel in rechte kan worden aangevochten in het kader van een executiegeschil bij de burgerlijke rechter op grond van artikel 438 Rv Pro. Het executiegeschil behoeft niet binnen een bepaalde termijn aanhangig worden gemaakt, afgezien van een redelijke termijn. De door verweerder in het dwangbevel genoemde termijn van zes weken, is derhalve ook onjuist.
2.7 Het ingediende verzetschrift zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het ingediende verzetschrift niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.