ECLI:NL:RBHAA:2010:BN6826
Rechtbank Haarlem
- Voorlopige voorziening
- C.E. Heyning-Huydecoper
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij beëindiging bijstandsuitkering wegens vermogen in het buitenland
Verzoekers ontvingen sinds 1987 bijstand, maar uit onderzoek bleek dat zij onroerende zaken in Turkije bezaten ter waarde van circa €128.000. Verweerder trok daarom in 2009 de bijstandsuitkering in en vorderde ten onrechte ontvangen bijstand terug tot een bedrag van €176.007,65. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening tegen de opschorting en beëindiging van de uitkering.
De rechtbank stelt vast dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen vermogen meer bezitten en dat zij niet hebben aangetoond wat er met de opbrengst van de onroerende zaken is gebeurd. Verweerder heeft een deel van de schuld als oninbaar aangemerkt en het resterende bedrag als invorderbaar vastgesteld. Dit leidde tot een nieuwe vermogensvaststelling waarbij het vermogen hoger was dan het vrij te laten bedrag, waardoor bijstand niet meer toekwam.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken en dat er geen sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen bij verzoekers. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de bijstandsuitkering wordt terecht beëindigd wegens het bezit van vermogen boven het vrij te laten bedrag.