ECLI:NL:RBHAA:2010:BN9227

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
13 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/4358, AWB 10/4359 & AWB 10/4360
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.C. Terwiel-Kuneman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004Wet werk en bijstandBesluit proceskosten bestuursrechtWet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij weigering Bbz-uitkering wegens onzekerheid over levensvatbaarheid onderneming

Verzoekster heeft bij verweerder een bijstandsuitkering en een uitkering op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) aangevraagd, welke zijn afgewezen omdat zij zelfstandig ondernemer is en geen levensvatbaar bedrijf zou hebben. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter constateert dat onvoldoende duidelijk is of verzoekster in 2010 aan het urencriterium van 1225 uur kan voldoen en of haar onderneming levensvatbaar is. Verweerder baseerde zijn oordeel over de levensvatbaarheid op jaarstukken van 2008, 2009 en de eerste vier maanden van 2010, zonder rekening te houden met de sluiting van zes maanden. Ook is niet vastgesteld dat verzoekster tegen beter weten in haar bedrijf voortzet.

Gezien deze onzekerheden wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen voor zover het de schorsing van het besluit van 19 augustus 2010 betreft dat de Bbz-uitkering weigert. Dit besluit wordt geschorst vanaf 26 augustus 2010 tot een week na verzending van de beslissing op het bezwaar. Tevens wordt verweerder gelast voorschotten te verstrekken ter hoogte van de bijstandsnorm en wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten.

De overige verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tot schorsing van het besluit tot weigering van de Bbz-uitkering wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 10 - 4358, 10-4359 en 10-4360 WWB
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
13 september 2010
in de zaken van:
[naam verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,
verweerder,
gemachtigde: W. Pijnen, werkzaam bij Telengy.
Tegenwoordig: mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, en P.M. van der Pol, griffier.
Zitting: 13 september 2010
Verschenen: Verzoekster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Bij besluit van 30 juni 2010 heeft verweerder de op 23 juni 2010 gedateerde aanvraag van verzoekster om toekenning van een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB), respectievelijk het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) afgewezen, omdat verzoekster niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening van haar bedrijfsmatige of zelfstandige beroepsactiviteiten, nu verzoekster niet beschikt over een geldige exploitatievergunning.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 13 juli 2010 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 26 juli 2010 heeft verweerder de op 14 juli 2010 gedateerde aanvraag van verzoekster om toekenning van een WWB-uitkering afgewezen, omdat verzoekster zelfstandig ondernemer is. Als zelfstandige wordt verzoekster geacht zelf over voldoende middelen te beschikken.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 3 augustus 2010 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft verweerder de op 3 augustus 2010 gedateerde aanvraag van verzoekster om toekenning van een WWB-uitkering, respectievelijk een Bbz-uitkering afgewezen, omdat geen bijstand wordt verleend aan de zelfstandige die geen levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent. Bij dit besluit heeft verweerder tevens het besluit van 30 juni 2010 herroepen.
Tegen het besluit van 19 augustus 2010 heeft verzoekster bij brief van 25 augustus 2010 bezwaar gemaakt.
Bij brief van 26 augustus 2010 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Omdat dit verzoek ziet op de drie hiervoor vermelde besluiten, is sprake van drie verzoeken om voorlopige voorziening.
Bij mondelinge uitspraak van 13 september 2010 heeft de voorzieningenrechter:
- het verzoek toegewezen gericht op schorsing van het besluit van 19 augustus 2010 voor zover het betreft de weigering verzoekster een Bbz-uitkering toe te kennen;
- het besluit van 19 augustus 2010 voor dat deel geschorst met ingang van 26 augustus 2010 tot een week na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar van 25 augustus 2010;
- verweerder gelast om vanaf 26 augustus 2010 aan verzoekster voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm;
- verweerder veroordeeld in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,-- , te betalen aan de griffier van de rechtbank;
- verweerder gelast het door verzoekster betaalde griffierecht van € 41,-- aan haar te vergoeden;
- de overige verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen.
De voorzieningenrechter heeft daartoe het volgende overwogen.
Verzoekster heeft verklaard dat zij op grond van de haar nu ter beschikking staande exploitatiegegevens van haar onderneming zelfstandige wil blijven. Onduidelijk is echter of verzoekster voldoet aan het zogeheten urencriterium (1225 uur per jaar). Ter zitting heeft verweerder aangegeven van mening te zijn dat verzoekster ondanks de sluiting van zes maanden ook in 2010 aan dit wettelijke vereiste kan voldoen. In zijn rapportage van 18 augustus 2010 stelt verweerder echter, dat het niet te verwachten is dat verzoekster in het boek- of kalenderjaar 2010 zal kunnen voldoen aan het urencriterium van ten minste 1225 uur.
Het besluit van 19 augustus 2010 is gebaseerd op verweerders standpunt dat de onderneming van verzoekster niet als een levensvatbaar bedrijf kan worden aangemerkt. Verweerders onderzoek naar de levensvatbaarheid van verzoeksters bedrijf heeft uitsluitend plaatsgevonden op basis van de jaarstukken van 2008, 2009 en de eerste vier maanden van 2010. Voorts staat vast dat verzoekster in haar huidige onderneming nog niet lang (ongeveer een jaar) bezig is. Daar komt bij dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de omstandigheid dat verzoeksters onderneming gedurende zes maanden gesloten is, waardoor zij in die periode niet als zelfstandige werkzaam kan zijn, bij de beoordeling of het bedrijf levensvatbaar is, geen rol heeft gespeeld.
Verweerder heeft geen onderzoek laten verrichten door een deskundige op het terrein van de bedrijfseconomie, die inzicht heeft in de financiële gang van zaken bij horecabedrijven en zicht heeft op de “markt” in de horeca. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat verweerder haar wel heeft toegezegd dat hij een dergelijke deskundige zou inschakelen.
Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij verzoekster (financieel) zou ondersteunen als er sprake zou zijn van een levensvatbaar bedrijf. Een dergelijke (financiële) ondersteuning zou verzoekster van verweerder ook kunnen krijgen, als zij zou instemmen met bedrijfsbeëindiging vanwege een gebrek aan levensvatbaarheid van het bedrijf. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat als verzoekster ondanks een gebrek aan levensvatbaarheid - als het ware tegen beter weten in- haar onderneming wil voortzetten, verweerder financiële ondersteuning weigert.
Bij de stand van zaken zoals hiervoor weergegeven, is het vooralsnog onvoldoende duidelijk of verzoekster in 2010 aan het urencriterium kan voldoen en of sprake is van een niet-levensvatbaar bedrijf. Gelet hierop kan op dit moment niet worden gezegd dat verzoekster tegen beter weten in haar onderneming wil voortzetten.
Dit alles leidt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek om voorlopige voorziening, voor zover dit zich richt op schorsing van het besluit van 19 augustus 2010 haar een uitkering te weigeren, moet worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal dit deel van het besluit dan ook schorsen met ingang van 26 augustus 2010 tot een week na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar van 25 augustus 2010. Voorts zal de voorzieningenrechter verweerder gelasten om vanaf 26 augustus 2010 aan verzoekster voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm.
Er bestaat bovendien aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de voorzieningenrechter deze proceskosten vast op € 874,-- (een punt voor het verzoekschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting; de zwaarte van de zaak is gemiddeld. Een punt komt overeen met een bedrag van € 437,--). Omdat ten behoeve van verzoekster een toevoeging is afgegeven ingevolge de Wet op de rechtsbijstand, moeten de proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.
De voorzieningenrechter wijst de beide overige verzoeken om voorlopige voorziening af.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,
(griffier) (voorzieningenrechter)
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.