ECLI:NL:RBHAA:2010:BQ4120
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.H.M. Bruin
- M.H.L.C. Bijvoet
- A.E. Keulemans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van successierecht bij nadere verkrijging uit fideï-commissaire nalatenschap
De rechtbank Haarlem behandelde het geschil over de berekening van het verschuldigde successierecht door vijf erfgenamen na de nadere verkrijging van het fideï-commis vermogen in 2007. Eisers stelden dat de verkrijging in 1999 en de nadere verkrijging in 2007 als twee afzonderlijke verkrijgingen moesten worden belast, terwijl verweerder een gecombineerde berekening toepaste.
De rechtbank stelde vast dat op grond van de Successiewet 1956 de verkrijging uit de nalatenschap en het fideï-commis vermogen als één verkrijging moet worden aangemerkt. De wet bevat geen bepaling die een aparte heffing voor de nadere verkrijging voorschrijft. De rechtbank overwoog dat het systeem en de strekking van de wet een eenmalige toepassing van vrijstellingen en een progressief tarief vereisen over de totale verkrijging.
De rechtbank concludeerde dat de door verweerder toegepaste formule, waarbij het successierecht over het totale bedrag wordt berekend en rekening wordt gehouden met het reeds betaalde recht in 1999, recht doet aan de wettelijke bepalingen en redelijkheid. De bezwaren van eisers werden daarom ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de door verweerder toegepaste berekeningsmethode van het successierecht over de gecombineerde verkrijging en verklaart de bezwaren inhoudelijk ongegrond.