AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Werkloosheidsuitkering geweigerd wegens ontbreken dringende reden voor ontslag
De werkgever heeft beroep ingesteld tegen de toekenning van een WW-uitkering aan de werknemer, stellende dat sprake was van ontslag met dringende reden. De rechtbank beoordeelde dat de klachten over het functioneren van de werknemer, hoewel ernstig, niet zodanig waren dat zonder voorafgaande poging tot verbetering onverwijld tot ontslag kon worden overgegaan. Tevens was het initiatief tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gelegen bij de werkgever.
De rechtbank stelde vast dat het UWV terecht had geconcludeerd dat de werknemer niet verwijtbaar werkloos was geworden en dat het ontslag niet op dringende redenen was gebaseerd. De onderzoeksrapportage gaf wel aanwijzingen voor disfunctioneren, maar dit vormde geen objectieve dringende reden voor ontslag.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en veroordeelde de werkgever tot vergoeding van de proceskosten van de werknemer. Het hoger beroep staat open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering aan de werknemer gehandhaafd.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 10 - 6435
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2011
in de zaak van:
Stichting Sint Bavo,
gevestigd te Haarlem,
eiseres,
gemachtigde: mr. W. Brussee, advocaat te Den Haag,
tegen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
verweerder,
gemachtigde: A.T.W. Schilder, werkzaam bij het Uwv,
derde partij
[derde partij] (hierna: [derde partij]),
wonende te [woonplaats],
gemachtigde: mr. A. Dekkers, advocaat te Utrecht.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2010 heeft verweerder [derde partij] met ingang van 15 januari 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 10 maart 2010, aangevuld bij brief van 13 april 2010, bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 14 juli 2010 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en is medegedeeld dat [derde partij]s WW-uitkering met ingang van 15 juli 2010 wordt ingetrokken.
Tegen dit besluit heeft [derde partij] bij brief van 23 augustus 2010, aangevuld bij brief van 1 oktober 2010, beroep ingesteld.
Bij gewijzigd besluit van 11 november 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres alsnog ongegrond verklaard en is het besluit van 5 februari 2010 gehandhaafd.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij fax van 19 november 2010, aangevuld bij brief van 9 januari 2011, beroep ingesteld, althans, de rechtbank heeft deze fax als een tegen het besluit van 11 november 2010 gericht beroepschrift aangemerkt.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 1 februari 2011 heeft [derde partij] een reactie op voormeld beroepschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 1 april 2011, alwaar eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [naam]. Verweerder is bij zijn gemachtigde verschenen. [derde partij] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1 [derde partij] is per 1 oktober 1998 aangesteld als directeur van [naam school], school voor speciaal basisonderwijs te Haarlem. Deze school valt onder de rechtspersoon Stichting Sint Bavo. Op 15 september 2008 is [derde partij] uitgevallen in verband met een herseninfarct. Vanaf 21 januari 2009 is [derde partij] begonnen met zijn re-integratie. In dit verband heeft hij enige tijd aangepaste werkzaamheden verricht, met als einddoel de terugkeer in eigen functie.
2.2 Tijdens deze re-integratieperiode is eiseres bekend geworden dat diverse medewerkers van de school (ernstige) klachten hadden over [derde partij]s functioneren in het verleden. Eiseres heeft naar aanleiding hiervan het onderzoeksbureau Bezemer & Kuiper de opdracht gegeven deze klachten te onderzoeken. In het door dit bureau opgestelde conceptonderzoeksrapport van 17 september 2009 wordt - onder andere - het volgende geconcludeerd: “Geconcludeerd moet ook worden dat [[derde partij]] ertoe heeft bijgedragen dat voor de leerkrachten een onaangename werkomgeving is ontstaan en dat dit tot gevolg heeft gehad dat de werkprestaties van een aantal van de desbetreffende leerkrachten zijn aangetast, de werkdruk in psychische zin negatief heeft beïnvloed en stress tot gevolg heeft gehad. Hiermee moet de eerste vraag uit de onderzoeksopdracht worden beantwoord in dier voege dat sprake is (geweest) van ernstig grensoverschrijdend gedrag van [[derde partij]]. […] Het grensoverschrijdende gedrag van [[derde partij]] heeft tot schade in de relationele sfeer geleid binnen een overwegend deel van het team van leerkrachten en wel zodanig dat in een aantal gevallen een ingrijpende emotionele en psychische schade is aangericht. […] Daaruit kan op grond van het voorgaande naar de conclusie van de onderzoekscommissie niet anders dan de gevolgtrekking worden gemaakt dat een basis voor terugkeer van [[derde partij]] niet (meer) aanwezig is.”
2.3 Bij verzoekschrift van 27 oktober 2009 heeft eiseres de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en [derde partij] zo spoedig mogelijk te ontbinden, primair op grond van gewichtige redenen, bestaande uit dringende redenen en subsidiair op grond van gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden. [derde partij] heeft bij zelfstandig tegenverzoek eveneens om ontbinding van de dienstbetrekking verzocht. Bij beschikking van 17 december 2009 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 15 januari 2010 wegens veranderingen in de omstandigheden ontbonden. De kantonrechter zag hierbij aanleiding [derde partij] een ontbindingsvergoeding van € 50.000,00 toe te kennen. Eiseres en [derde partij] hebben zich beiden bij deze beschikking neergelegd.
2.4 [derde partij] heeft vervolgens een WW-uitkering aangevraagd en deze is hem bij het besluit van 5 februari 2010 door verweerder toegekend.
2.5 Het bestreden besluit van 11 november 2010 berust op het standpunt dat op goede gronden is besloten eiseres’ bezwaar tegen de toekenning van de WW-uitkering van [derde partij] ongegrond te verklaren. Verweerder heeft hier - voor zover van belang - aan ten grondslag gelegd dat uit zijn onderzoek, verricht naar het karakter van de werkloosheid van [derde partij], volgt dat niet is vol te houden dat [derde partij] verwijtbaar werkloos geworden is en dat niet is gebleken dat [derde partij] (tot het moment van zijn uitval) verwijtbaar heeft gedisfunctioneerd.
2.6 Eiseres is het hier niet mee eens. Bij fax van 19 november 2010 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat [derde partij] wél verwijtbaar werkloos is, althans dat hij zijn werkloosheid in overwegende mate zelf heeft veroorzaakt. In haar pleitaantekeningen alsmede ter zitting heeft eiseres dit standpunt nader ingekleed door aan te voeren dat de klachten over het gedrag en optreden van [derde partij], hoewel deze veelal betrekking hebben op situaties en gebeurtenissen van ver voor zijn uitval, zodanig ernstig zijn dat hierop een ontslag moest volgen. Eiseres heeft ter zitting - voor zover van belang - ook aangevoerd dat [derde partij] te verwijten valt dat hij zelf om ontbinding heeft verzocht en dat hij dit verzoek niet heeft ingetrokken. Op grond hiervan meent eiseres dat verweerder [derde partij] een WW-uitkering (had) moet(en) weigeren.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.7 De rechtbank acht eiseres ontvankelijk in haar beroep. In dit verband wordt overwogen dat de fax van eiseres van 19 november 2010 terecht als beroepschrift is aangemerkt. Hiertoe is het volgende redengevend. De betreffende fax is ondertekend, gedagtekend en bevat de naam en het correspondentieadres van de indiener. Op verzoek heeft verweerder bij brief van 9 januari 2011 de door de rechtbank opgevraagde volmacht, het afschrift van de statuten en het uitreksel uit de Kamer van Koophandel ingestuurd, waarmee tijdig nadere informatie over de indiener is verstrekt. Verder is in de fax van 19 januari 2010 verwoord dat “[derde partij] een werkloosheidsuitkering moet worden geweigerd”, op grond waarvan duidelijk is dat deze fax de inhoud van het bestreden besluit beoogt aan te vallen. Gelet op het voorgaande en het feit dat de fax de in 2.6 opgenomen grond bevatte, voldoet de fax aan de vereisten uit artikel 6:5, eerste lid, Awb. Dat het bestreden besluit op 29 november 2010 in strijd met artikel 6:5, tweede lid, Awb niet is overgelegd, staat aan het voorgaande niet in de weg. Doordat de rechtbank reeds over het bestreden besluit beschikte, had zij de mogelijkheid zich tijdig met het geschil bezig te houden en bestond er dus geen aanleiding om aan het niet-insturen van dit besluit sancties te verbinden. Uit het voorgaande blijkt dat voldaan is aan alle voorwaarden die aan een beroepschrift worden gesteld.
2.8 Daarmee komt de rechtbank aan de inhoudelijke behandeling van deze zaak toe. Hierdoor staat zij voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht heeft vastgesteld dat [derde partij] niet verwijtbaar werkloos is geworden. In dit kader moet er - gelet op de wijze waarop eiseres haar beroepsgrond heeft ingekleurd - een beoordeling plaatsvinden ten aanzien van de ernst van het gedrag van [derde partij] van (ver) vóór zijn re-integratie.
2.9 Bij deze verwijtbaarheidstoets dient er ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats te vinden omtrent de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij geldt het bepaalde in de artikelen 7:677 en 7:678 van het BW als maatstaf. Deze maatstaf dient ook in het kader van de WW in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad te worden gehanteerd. Uit deze jurisprudentie volgt dat de vraag of er sprake is van een dringende reden per individueel geval moet worden beoordeeld. Tot de elementen die bij deze beoordeling moeten worden gewogen behoort in ieder geval de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de (verweten) gedraging. Indien vervolgens tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal tot slot moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.
2.6 Hoewel de beoordeling van de vraag of sprake is van verwijtbaar ontslag gerelateerd is aan de vraag of sprake is van een dringende reden, heeft verweerder in het kader van de WW een eigen bevoegdheid. Verweerder zal dan ook zo nodig zelfstandig onderzoek moeten verrichten naar de feiten en omstandigheden die tot het ontslag hebben geleid en daarover ook een eigen oordeel dienen te vormen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de wijze waarop het ontslag arbeidsrechtelijk vorm krijgt niet doorslaggevend is. Het gaat immers niet om de ontslagroute, maar om de ontslagreden.
2.7 Ingevolge artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergaart het Uwv bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In de beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 is met betrekking tot deze onderzoeksplicht onder meer opgenomen dat het Uwv bij elk einde van een dienstbetrekking zal vaststellen of het initiatief tot die beëindiging van de werkgever of van de werknemer is gekomen en dat, als dat initiatief bij de werkgever ligt, alleen wordt onderzocht of er een arbeidsrechtelijke dringende reden voor de werkgever aanwezig was om de werknemer te ontslaan.
2.8 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit terecht vastgesteld dat het initiatief tot de beëindiging bij eiseres lag. Immers, het was eiseres die met haar verzoekschrift van 27 oktober 2009 de ontbindingsprocedure aanhangig heeft gemaakt. [derde partij] heeft weliswaar een zelfstandig ontbindingsverzoek gedaan, maar dit is een reactie geweest op het verzoek van eiseres. Bovendien geldt dat als het verzoek van [derde partij] al onduidelijkheid zou scheppen over de vraag wie de initiator van de ontbinding was, dat dan uit de in 2.7 genoemde beleidsregels volgt dat verweerder ervan mocht uitgaan dat het initiatief aan de kant van eiseres lag. Het dienstverband is dan ook niet beëindigd op verzoek van [derde partij], zodat geen sprake is van de in artikel 24, tweede lid onder b, van de WW bedoelde situatie.
2.10 Voorts wordt geoordeeld dat verweerder met recht geconcludeerd heeft dat [derde partij]s gedrag van vóór zijn uitval niet van zodanige aard was dat van eiseres in redelijkheid niet kon worden verlangd dat zij de arbeidsovereenkomst in stand zou houden. In dit verband overweegt de rechtbank dat ook als de in 2.2 geciteerde onderzoeksconclusie tot uitgangspunt wordt genomen, deze weliswaar aanknopingspunten oplevert voor het disfunctioneren van [derde partij] als directeur van [naam school], maar dat deze conclusie nog geen dringende reden voor ontslag oplevert. De aan die conclusie ten grondslag liggende, op het verleden terug te voeren klachten zijn namelijk niet zo ernstig dat er op het moment van de bekendwording met die klachten, zonder voorafgaande poging om de verstoorde relaties te verbeteren, rechtsgeldig tot een onverwijlde aanzegging van het ontslag kon worden overgegaan. Het feit dat [derde partij] niet met onmiddellijke ingang of zonder voorafgaande schorsing is ontslagen, nadat eiseres bekend werd met de conclusies uit voornoemde rapportage, duidt er bovendien op dat eiseres zelf in deze klachten ook geen dringende reden zag voor ontslag. In ieder geval levert eiseres’ handelswijze volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (verder: CRvB) (zie onder meer: CRvB 18 februari 2009, LJN BH2387) een contra-indicatie op voor de aanwezigheid van een dringende reden. Het feit dat de kantonrechter [derde partij] een ontslagvergoeding heeft toegekend levert ingevolge de zojuist genoemde rechtspraak eveneens een indicatie op voor de afwezigheid een dringende reden.
2.11 Nu er geen sprake is van een objectieve dringende reden voor ontslag, behoeft de discussie over de vraag of het bestuur al vóór 2009 met de klachten bekend was of moest zijn geen bespreking meer. Hetzelfde geldt voor de discussie omtrent de subjectieve dringende reden voor ontslag.
2.12 Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren.
2.13 De rechtbank ziet aanleiding voor de door [derde partij] gevraagde proceskostenveroordeling ten aanzien van eiseres. Het wettelijk stelsel van de artikelen 8:26 jo 8:75 van de Awb biedt de rechtbank daartoe ook de ruimte. Van een belanghebbende kan worden verwacht dat deze zijn belangen zo goed mogelijk wenst te verdedigen. Het moet daarom voor eiseres voorzienbaar zijn geweest dat [derde partij] als derde partij aan dit geding zou deelnemen en dat hij hierbij een gemachtigde in de arm zou nemen. Nu het beroep van eiseres ongegrond zal worden verklaard, dient eiseres de kosten te vergoeden die [derde partij] aan zijn gemachtigde heeft gehad. Ter waardering van deze kosten merkt de rechtbank op de door [derde partij]s gemachtigde opgestelde brief van 1 februari 2011 aan te merken als schriftelijke uiteenzetting in de zin van artikel 8:43, tweede lid, van de Awb. In het licht van het voorgaande en op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn de te vergoeden kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 655,50 (0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,00 en een wegingsfactor 1) en voor de reis- en verblijfkosten van [derde partij] vastgesteld op € 4,00 (heen- en terugreis op basis van tarief openbaar vervoer 2e klas).
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep ongegrond;
3.2 veroordeelt eiseres in de door [derde partij] gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 659,50, te betalen aan [derde partij].
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, rechter van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Oltmans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2011.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.