ECLI:NL:RBHAA:2011:BR3393
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Premieplicht Nederlandse volksverzekeringen voor rijnvarende stuurman bevestigd
Eiser, een stuurman met Nederlandse nationaliteit, werkte in 2005 en 2006 op een binnenvaartschip dat onder de Rijnvaart viel. Hij was in dienst van een Luxemburgse onderneming en stelde dat op grond van Europese regelgeving en het Verdrag rijnvarenden de Luxemburgse wetgeving op hem van toepassing was, mede ondersteund door een E-106 verklaring.
De inspecteur van de Belastingdienst legde echter premies volksverzekeringen op volgens de Nederlandse wetgeving, wat eiser betwistte. De rechtbank onderzocht wie de exploitant van het schip was, een cruciaal punt voor de toepasselijke wetgeving. Uit een ambtsedige verklaring bleek dat de eigenaar, woonachtig in Nederland, de feitelijke exploitant was in de jaren 2005 en 2006, ondanks dat de Luxemburgse onderneming personeelskosten in rekening bracht.
De rechtbank concludeerde dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, omdat de exploitatie bij de Nederlandse eigenaar lag. De E-106 verklaring en het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalden, aangezien de verklaring niet relevant was en eiser geen gelijkwaardige gevallen aannemelijk had gemaakt. De beroepen werden ongegrond verklaard en de premies waren terecht geheven.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de premieplicht onder de Nederlandse wetgeving.