ECLI:NL:RBHAA:2011:BR4089
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Conversie nietige testamentaire bepaling in vorderingsrecht na overlijden erflater
De vrouw en de erflater kwamen in een echtscheidingsconvenant overeen dat de erflater in zijn testament een bedrag van €108.000 aan de vrouw zou uitkeren ter aflossing van de hypotheek van de voormalige echtelijke woning. Bij overlijden van de erflater bleek dit beding niet in het testament te staan en weigerden de erfgenamen uit te keren.
De vrouw stelde een vordering in tegen de erfgenamen en executeurs. De rechtbank oordeelde dat het beding in het convenant nietig was wegens strijd met de testeervrijheid, maar dat dit beding ambtshalve moest worden geconverteerd in een vorderingsrecht van de vrouw op de nalatenschap, opeisbaar na het overlijden van de erflater.
De vordering tegen de erfgenamen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de executeurs exclusief bevoegd zijn de nalatenschap te beheren en de erfgenamen te vertegenwoordigen. De rechtbank veroordeelde de executeurs hoofdelijk tot betaling van €108.000 vermeerderd met wettelijke rente vanaf de ingebrekestelling.
De vrouw had gedurende jaren onbezoldigde arbeid verricht in het stukadoorsbedrijf van de erflater, wat tot een natuurlijke verbintenis leidde die zij en de erflater beoogden om te zetten in een afdwingbare verbintenis. De rechtbank stelde vast dat deze intentie tot uitdrukking kwam in het convenant, maar dat het testamentaire beding nietig was. De conversie naar een vorderingsrecht was niet onredelijk jegens de erfgenamen.
De rechtbank wees ook proceskosten toe aan de vrouw en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Executeurs worden veroordeeld tot betaling van €108.000 met rente aan de vrouw; vordering tegen erfgenamen niet-ontvankelijk verklaard.