ECLI:NL:RBHAA:2011:BR5883

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
30 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10 / 6215
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.E. Heyning - Huydecoper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 sub b WWBArt. 3 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding niet van toepassing op geadopteerde kinderen

Eiseres had samen met haar toenmalige echtgenoot een zoon geadopteerd en ontving bijstand als alleenstaande ouder na hun scheiding. Verweerder stelde op basis van een onderzoek dat eiseres en haar ex-echtgenoot weer samenwoonden en dat zij gezamenlijk een kind hadden, waardoor het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding volgens artikel 3 lid 3 sub b WWB Pro van toepassing zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat dit rechtsvermoeden strikt grammaticaal moet worden uitgelegd en dat geadopteerde kinderen niet onder het begrip 'uit hun relatie een kind geboren' vallen. Dit oordeel werd ondersteund door een arrest van de Hoge Raad en de conclusie van de Advocaat-generaal, waarin werd gesteld dat alleen biologische en erkende kinderen meetellen.

Hierdoor berustte het bestreden besluit op een onjuiste grondslag en werd het vernietigd. De rechtbank zag geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten en wees een proceskostenvergoeding toe aan eiseres. Het beroep werd gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd omdat het rechtsvermoeden niet van toepassing is op geadopteerde kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 10 - 6215 WWB
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2011
in de zaak van:
[naam eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde: mr. J.L. Scheltens, advocaat te Haarlem,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2010 heeft verweerder de bijstand van eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 mei 2010 ingetrokken en per 22 mei 2010 beëindigd.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 1 juli 2010 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 14 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 27 november 2010, aangevuld bij brief van 26 december 2010, beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 19 april 2011, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door S. Dijkman Dulkes - Wan.
2. Overwegingen
2.1 Eiseres en haar toenmalige echtgenoot [naam toenmalige echtgenoot] hebben op [datum] een zoon, [naam zoon], geboren [geboortedatum], geadopteerd. Op 28 juni 1999 is eiseres gescheiden van haar echtgenoot. Sinds 27 september 1999 ontving eiseres bijstand naar de norm van een alleenstaande (ouder).
2.2 Naar aanleiding van een anonieme tip, dat eiseres (weer) zou samenwonen met haar ex-echtgenoot, [naam ex-echtgenoot] heeft verweerder onderzoek ingesteld. Uit de resultaten van het onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat [naam ex-echtgenoot] zijn hoofdverblijf (weer) heeft bij eiseres.
2.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding van eiseres met [naam ex-echtgenoot], omdat deze laatste zijn hoofdverblijf in haar woning heeft en zij gezamenlijk een kind hebben. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden, als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef onder b, WWB. Volgens verweerder dient het begrip ‘kind’ te worden uitgelegd zoals in artikel 4 WWB Pro.
2.4 Eiseres heeft aangevoerd dat het rechtsvermoeden strikt naar de letter van de wet dient te worden uitgelegd en dat een geadopteerd kind niet onder het begrip ‘uit een relatie geboren kind’ valt.
2.5 De rechtbank overweegt als volgt.
2.6 Artikel 3, derde lid, aanhef, onder b, WWB bepaalt dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
2.7 In het arrest van de Hoge Raad (HR) van 25 september 2009 (LJN BH2580) heeft de HR het standpunt van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bevestigd dat het begrip ‘kind’ in het hiervoor genoemde artikelonderdeel grammaticaal dient te worden uitgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding de zinsnede ‘uit hun relatie een kind is geboren’ anders dan grammaticaal uit te leggen. De rechtbank vindt voor haar standpunt steun in de conclusie van de Advocaat-generaal (AG) voor het hiervoor genoemde arrest van de HR, waarin in de beschouwing (5.2) het volgende is overwogen:
“De bepaling inzake het onweerlegbare rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding - in het geval uit de relatie een kind is geboren - vraagt naar mijn mening om een eigen uitleg van het begrip kind, om een uitleg die past in de context van dat rechtsvermoeden. Het feit dat de wetgever het kennelijk niet nodig heeft geacht een definitiebepaling in de AOW op te nemen, duidt mijns inziens eveneens op deze zienswijze. Met kind in artikel 3, lid 4, onderdeel b, WWB wordt niet op elk mogelijk kind gedoeld. De wetgever heeft immers het begrip kind beperkt door de woorden 'uit hun relatie (...) geboren' of door de voorwaarde dat 'erkenning heeft plaatsgevonden (...) door de ander'. Alleen biologische kinderen en kinderen die erkend zijn, tellen mee. Geadopteerde kinderen, stief-, pleeg- en schoonkinderen vallen af: ze zijn niet uit hun relatie geboren en een eventuele erkenning van deze kinderen zal niet hebben plaatsgevonden 'door de ander' (in dat geval gaat het immers om erkende kinderen).”
2.8 Uit het voorgaande volgt dat in de situatie van eiseres het rechtsvermoeden van artikel 3, derde lid, aan hef onder b, WWB geen toepassing vindt. Het bestreden besluit berust dan ook op een onjuiste grondslag, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt.
2.9 Voor instandlating van de rechtsgevolgen ziet de rechtbank thans geen aanleiding. Aan het subsidiaire standpunt van verweerder, dat ook sprake was van wederzijdse zorg, gaat de rechtbank voorbij, nu eiseres eerst ter zitting met dit standpunt is geconfronteerd en eiseres zich daarop dus niet heeft kunnen voorbereiden.
2.10 De rechtbank ziet voorts geen mogelijkheid op andere wijze tot finale geschilbeslechting te komen om de navolgende redenen. Ter zitting is gebleken dat verweerder inmiddels het recht op bijstand van eiseres met ingang van 1999 heeft ingetrokken en een bedrag van ruim € 143.000,-- heeft teruggevorderd. Deze besluiten zijn gebaseerd op de uitkomsten van een onderzoek door de sociale recherche, waarover op 2 maart 2011 aan verweerder is gerapporteerd. Eiseres heeft tegen de besluiten bezwaar gemaakt. Ter zitting is gebleken dat de stukken op grond waarvan de frauderapportage is opgemaakt (zoals de processen-verbaal van de verklaringen van eiseres) opgevraagd zijn bij de Officier van Justitie. Het uiteindelijke standpunt van verweerder met betrekking tot (bijvoorbeeld) de intrekkingsdatum van het recht op bijstand kan gevolgen hebben voor het, conform de jurisprudentie van de CRvB, al dan niet van toepassing zijn van artikel 3, derde lid, aanhef onder a, WWB (rechtsvermoeden in verband met het gehuwd geweest zijn). Dit kan ook gevolgen hebben voor de wijze waarop het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 mei 2010 (opnieuw) moet worden beoordeeld.
2.11 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3 WWB Pro. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling als hierna bepaald.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt het bestreden besluit van 14 oktober 2010;
3.3 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,--, te betalen aan eiseres;
3.4 gelast dat de gemeente Haarlem het door eiseres betaalde griffierecht van € 41,-- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning - Huydecoper, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2011.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.