ECLI:NL:RBHAA:2011:BT2390

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
12 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2151
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.C. Terwiel-Kuneman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 planvoorschriften bestemmingsplan Landelijk GebiedArt. 12 WoningwetArt. 12a Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bouwvergunning ligboxenstal en werktuigenberging niet in strijd met bestemmingsplan

De rechtbank Haarlem behandelde het beroep van eisers tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar om een bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een ligboxenstal en een werktuigenberging op een agrarisch perceel. Eisers voerden aan dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan, met name vanwege aantasting van de openheid, schaalbreuk en onvoldoende landschappelijke inpassing.

De rechtbank stelde vast dat het bouwplan binnen de agrarische bouwstede bleef en voldeed aan de maatvoeringen en situeringsvoorschriften van het bestemmingsplan. Het concentratiebeginsel werd gerespecteerd en de zichtlijnen vanaf de straat bleven gehandhaafd. De bezwaren van eisers dat het plan de geest van het bestemmingsplan zou schenden, werden verworpen.

Daarnaast stelde eisers dat het welstandsadvies ondeugdelijk was vanwege vermeende tegenstrijdigheden en onvoldoende motivering. De rechtbank oordeelde dat het welstandsadvies, dat positief was over vorm, materialisatie en kleurstelling, geen gebreken vertoonde die het oordeel van verweerder konden ondermijnen. Het tegenadvies van een deskundige werd niet als voldoende deskundig erkend.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de bouwvergunning wordt ongegrond verklaard omdat het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan en het welstandsadvies deugdelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 11 - 2151
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2011
in de zaak [eiser],
wonende te [woonplaats],
eisers,
gemachtigde: mr. S.H. Broeseliske, advocaat te Rijswijk,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar,
verweerder,
derde partij,
[derde partij],
wonende te [woonplaats],
gemachtigde: ing. J.L. Scheffer te Woudenberg.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 maart 2010 heeft verweerder aan de derde partij bouwvergunning eerste fase verleend ten behoeve van het bouwen van een ligboxenstal en een werktuigenberging op het perceel [adres].
Bij besluit van 18 januari 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank te ’s-Gravenhage. Omdat een bestuurslid van de Stichting [naam], eigenaar van het landgoed waarop het bouwplan betrekking heeft, als rechter-plaatsververvanger werkzaam is bij de rechtbank ’s-Gravenhage is het beroep ter behandeling doorgezonden aan deze rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 31 augustus 2011, alwaar eiser [eiser] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.A. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Wassenaar. De derde partij is tezamen met zijn echtgenote verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts was aanwezig [naam], de door eisers ingeschakelde deskundige van het adviesbureau Kragten.
2. Overwegingen
2.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Het bouwplan voorziet in de bouw van een ligboxenstal en een werktuigenberging op het perceel [adres]. De derde partij pacht de gronden waarop het bouwplan is gesitueerd met als doel aldaar een rundveehouderij te beginnen. De ligboxenstal heeft een breedte van circa 32 meter, een lengte van circa 54 meter en een hoogte van 9.98 meter. De werktuigenberging is circa 16 meter breed, 31 meter lang en 8 meter hoog. Op het perceel is de monumentale boerderij ‘[naam]’ gelegen. Het bouwplan is geprojecteerd achter - maar op enige afstand van - de boerderij. Eisers bewonen de voormalige boerderij op het naastgelegen perceel aan de [adres].
2.2 De gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd zijn gelegen in het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’. Het gebied waarin het perceel zich bevindt heeft de bestemming “Agrarisch doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden (Aln)”. Het betreffende perceel [adres] is daarbinnen door middel van een cirkelaanduiding specifiek bestemd als ‘Agrarische bouwstede, agrarisch bouwperceel’. De op de plankaart als zodanig aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden voor de:
- (rund)veehouderijbedrijven: binnen de agrarische bouwsteden;
- de uitoefening van een tuinbouwbedrijf of (rund)veehouderij: binnen agrarische bouwpercelen;
met de daarbij behorende bouwwerken, boomgaarden en andere voorzieningen, een en ander met inachtneming van het bepaalde in lid 2.
In artikel 18, onder 2.4, van de planvoorschriften is onder meer bepaald dat voor wat betreft de bebouwing dient te worden uitgegaan van het concentratiebeginsel, waarbij de bebouwing en de bij het bedrijf behorende voorzieningen zoveel mogelijk aansluitend op de bestaande bebouwing dienen te worden gerealiseerd. Ook voor wat betreft de voorzieningen en bouwwerken, niet zijnde gebouwen, zoals sleufsilo's, erf- en terreinverhardingen, mestbassins en voorzieningen voor de buitenopslag, dient voor wat betreft de plaatsing in eerste instantie te worden uitgegaan van het concentratiebeginsel, waarbij de voorzieningen dienen te worden gerealiseerd binnen de agrarische bouwstede of het agrarisch bouwperceel. Uitgangspunt daarbij is dat bebouwing zodanig wordt gesitueerd dat sprake is van een functionele en/of ruimtelijke eenheid.
Het is wenselijk dat de dienstwoning zoveel mogelijk het gezicht van het agrarisch centrum blijft bepalen, bij voorkeur door een vooruitgeschoven positie.
In artikel 18, onder 2.5, van de planvoorschriften, Ontwikkelingsmogelijkheden, is onder meer bepaald dat in voorkomende gevallen, onverminderd het bepaalde in artikel 1, indien zulks voor een doelmatige bedrijfsuitoefening noodzakelijk is, medewerking kan worden verleend aan een uitbreiding van een agrarische bouwstede en een ruimere situering van voorzieningen. Bij de afweging dient te worden gelet op de waarden van de gebiedsbestemming waarin de agrarische bouwstede is gelegen.
In het kader van het concentratiebeginsel kunnen nadere eisen worden gesteld aan de situering van binnen de agrarische bouwstede of het agrarisch bouwperceel te realiseren voorzieningen en bouwwerken.
Voor de bedrijven is het beleid gericht op een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen en bijbehorende voorzieningen; zonodig kunnen door burgemeester en wethouders daarbij nadere eisen worden gesteld.
In artikel 18, onder 3.1, sub a, van de planvoorschriften zijn de bouwvoorschriften neergelegd. Voor wat betreft agrarische bouwsteden geldt dat de oppervlakte van de agrarische bouwstede maximaal 1 ha bedraagt, waarbij de langste zijde maximaal 150 meter mag bedragen en de agrarische bouwstede zoveel mogelijk “haaks” op de standwal is gesitueerd en dat de agrarische bouwstede geheel mag worden bebouwd.
In artikel 18, onder 3.1, sub c, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is bepaald dat van de agrarische bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, de goothoogte maximaal 5,5 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter mag bedragen.
2.3 Eisers stellen primair dat verweerder geen nieuwbouw op het perceel mocht toelaten, dan wel, subsidiair, dat slechts een minder omvangrijk bouwplan toelaatbaar kan worden geacht. Daartoe voeren zij in beroep aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. In dit verband stellen eisers dat de openheid van het gebied wordt aangetast en dat sprake is van een schaalbreuk. Volgens eisers legt verweerder ten onrechte de nadruk op de agrarische bebouwingsmogelijkheden en vergeet hij daarbij het landschap voor een onaanvaardbare inbreuk te behoeden. Verder is, in tegenstelling tot hetgeen in het bestemmingsplan en de toelichting daarop is bepaald, geen sprake van terughoudend beleid ten aanzien van bebouwingsmogelijkheden en behoud van karakteristieke schaal- en functieverschillen in de bebouwing, aldus eisers. Tot slot stellen eisers dat niet is voldaan aan artikel 18 van Pro de bestemmingsplan-voorschriften, omdat geen sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Ter zitting heeft de gemachtigde de gronden die betrekking hebben op de watergang en de gestelde overschrijding van de oppervlakte van de bouwstede van 1 hectare laten vallen.
2.4 Verweerder heeft in dit verband ten eerste opgemerkt dat de beroepsgrond, dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat dit niet eerder in de procedure is aangevoerd en in bezwaar door eisers is erkend dat het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan. De rechtbank volgt het betoog van verweerder niet, omdat er sprake is van argumenten die dienen ter ondersteuning van eerder ingenomen standpunten.
2.5 Verweerder stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het bouwplan in overeenstemming is met de voorschriften van het bestemmingsplan.
2.6 De rechtbank is van oordeel dat het bouwplan op de door eisers gesignaleerde punten als maatvoering, gebruik en situering niet in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan. De passages waarnaar eisers hebben verwezen om te betogen dat het plan in strijd is met de geest van het bestemmingsplan en verweerder mitsdien van zijn bevoegdheden gebruik had moeten maken, hebben hoofdzakelijk betrekking op de hoofdlijnen uit het bestemmingsplan. Uit de hoofdlijnen komt duidelijk naar voren dat het bestemmingsplan is gericht op het beschermen en versterken van de aanwezige landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden/kwaliteiten. Daarnaast is één van de hoofdelementen een agrarisch gebruik en beheer van nader daartoe aangewezen gronden voor een duurzame agrarische bedrijfsvoering. Zoals gemachtigde van eisers terecht in de pleitnota heeft aangevoerd, hoeft het één niet noodzakelijkerwijs ten koste te gaan van het ander. Door het perceel [adres] op de plankaart aan te duiden als agrarische bouwstede met de daarbij behorende specifieke voorschriften van artikel 18 heeft Pro verweerder een planologische keuze gemaakt om op die gronden duurzame agrarische bedrijfsvoering toe te laten. Doordat het bouwplan achter en in het verlengde van de bestaande boerderij wordt gebouwd en binnen de oppervlakte van de agrarische bouwstede blijft, worden de zichtlijnen vanaf de straat gezien gehandhaafd en wordt mede voldaan aan het concentratiebeginsel als bedoeld in artikel 18, onder 2.4, van de planvoorschriften. Dit neemt niet weg dat eisers vanuit hun woning zicht krijgen op de voorgestane bebouwing en een probleem hebben met de fictie dat de openheid van het landschap niet wordt aangetast zolang een bouwplan binnen de bouwstede is voorzien. Voor zover eisers hebben gewezen op artikel 18, onder 2.5, van de planvoorschriften merkt de rechtbank op dat dit artikel niet van toepassing is, omdat het hier niet gaat om uitbreiding van een agrarische bouwstede, maar om de invulling van een bestaande agrarische bouwstede. Gelet op het vorenstaande faalt het betoog van eisers dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.
2.7 Verder hebben eisers betoogd dat verweerder het welstandsadvies van 30 november 2009 niet aan zijn bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, omdat het advies innerlijke tegenstrijdigheden bevat. Eisers stellen zich op het standpunt dat de welstandscommissie in haar vergaderingen een fundamenteel bezwaarpunt heeft geuit tegen het bouwplan, namelijk de flinke schaalvergroting, welk bezwaarpunt in het verdere verloop van de beoordeling door de welstandscommissie niet meer aan bod komt. Ook is de welstandscommissie niet ingegaan op de impact van het moderne bouwplan op de monumentale boerderij, aldus eisers. Tot slot stellen eisers dat een deugdelijke motivering voor de goedkeuring van de welstandscommissie ontbreekt, nu niet valt in te zien dat een andere kleur van het bouwplan de bezwaren tegen de situering en schaalvergroting van het bouwplan wegneemt. Eisers hebben ter onderbouwing een deskundig tegenadvies van 16 mei 2011 van Kragten overgelegd. In dit advies wordt geconcludeerd dat het bouwplan qua maat en schaal afwijkt van de bestaande bebouwing, dat het bouwplan de structuur van het gebied aantast en zorgt voor verdichting, dat de kleur van de gevels van het bouwplan niet passen binnen het bestaande beeld en dat de nieuwe beplanting die door verweerder als voorwaarde is gesteld bladverliezend is en dus alleen een functie heeft voor de zomer.
2.8 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een ander deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.
2.9 De welstandscommissie heeft het bouwplan meerdere malen in haar vergaderingen heeft behandeld en aangehouden. In de laatste vergadering van 30 november 2009 heeft de welstandscommissie gesteld dat “het plan conform de eerdere afspraken is aangepast. Over de voorgelegde vorm, materialisatie en kleurstelling adviseert de commissie positief.”.
2.10 In hetgeen eisers hebben aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder het niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen. Zoals eerder vastgesteld is het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan. Artikel 12, derde lid, van de Woningwet brengt met zich dat bij de toetsing van een bouwplan door de welstandscommissie aan de criteria van de welstandsnota, waartoe de welstandscommissie zich gelet op artikel 12a, eerste lid van de Woningwet dient te beperken, de rechtens bestaande planlogische mogelijkheden voor haar een gegeven dienen te zijn. Het welstandsadvies kan derhalve nimmer leiden tot een beperking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan toestaat. Het door eisers overgelegde tegenadvies leidt evenmin tot het oordeel dat sprake is van een ondeugdelijk welstandsadvies, reeds omdat dit advies niet is gebaseerd op de uitgangspunten van de welstandsnota.
2.11 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2011.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.