Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wahv kan, indien de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoetgekomen is, de in het eerste lid bedoelde termijn zonodig met vier weken worden verlengd.
2.3 Eiser betoogt dat uit artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wahv volgt dat het indienen van beroep bij de kantonrechter tevens behelst een verzoek aan de officier van justitie om beslissen of hij eiser alsnog geheel of gedeeltelijk tegemoet wil komen. Volgens eiser heeft de officier van justitie op dit verzoek niet tijdig beslist. Hij heeft daarop bij brief van 9 juni 2011 de officier van justitie in gebreke gesteld.
2.4 Eiser verzoekt de rechtbank vast te stellen dat de officier van justitie dwangsommen heeft verbeurd van in totaal € 1.260,-- en de officier van justitie te veroordelen tot betaling van dit bedrag aan eiser.
2.5 De rechterbank acht zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep van eiser.
2.6 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.
Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet hoort.
Ingevolge de bijlage bij de Awb, onder ‘A. Ministerie van Justitie’, onder 2, staat tegen besluiten genomen op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften geen beroep bij de bestuursrechter open.
2.7 Voor zover het beroepschrift van 14 maart 2011 al een verzoek inhoudt een besluit te nemen, dan betreft dit verzoek een besluit te nemen in het kader van de uitvoering van Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Ook het - beweerdelijk - met een besluit gelijk te stellen niet-tijdig nemen van een besluit op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften moet worden aangemerkt als een besluit op grond van die wet. Omdat tegen besluiten op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften geen beroep bij de bestuursrechter openstaat, is de rechtbank, sector bestuursrecht, niet bevoegd het beroep van eiser te behandelen.
2.8 Eiser heeft erop gewezen dat de artikelen 4:17 tot en met 4:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet in de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften zijn uitgesloten. Dat is weliswaar juist, maar dat doet er niet aan af dat de ingebrekestelling van eiser van 9 juni 2011 was gericht tegen het uitblijven van een beslissing op grond van artikel 11, tweede lid, van de Wahv.
2.9 In het door eiser aangehaalde oordeel van de kantonrechter te Haarlem leest de rechtbank, sector bestuursrecht, anders dan eiser, niet dat de kantonrechter heeft aangegeven dat de toekenning van door de officier van justitie verbeurde dwangsommen buiten zijn competentie valt. Buiten dat staat in deze zaak niet ter beoordeling welke andere rechter bevoegd is te oordelen over het beroep van eiser. De rechtbank dient slechts te beoordelen of zij daartoe bevoegd is.
2.10 In de door eiser aangehaalde uitspraken van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 (LJN AR3086) en van het gerechtshof Leeuwarden van 11 juli 2008 (LJN BG1499) zijn aan de orde beroepen over besluiten, of het uitblijven daarvan, op een verzoek om toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur. Deze uitspraken zijn niet van belang voor dit geval, omdat het beroep van eiser geen betrekking heeft op de Wet openbaarheid van bestuur, doch uitsluitend op de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften.
2.11 Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank onbevoegd is te beslissen op eisers beroep.