ECLI:NL:RBHAA:2011:BV3596
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Premieplicht in Nederland voor rijnvarende ondanks E-106-verklaring en Luxemburgse loondienst
Eiser, een Nederlandse stuurman werkzaam op een binnenvaartschip dat onder de Rijnvaart valt, is in 2006 in loondienst bij een Luxemburgse vennootschap. Hij betwist de Nederlandse premieplicht voor de volksverzekeringen en beroept zich op het toepasselijke Luxemburgse socialezekerheidsrecht op grond van de Verordening (EEG) 1408/71 en het Verdrag rijnvarenden. Tevens verwijst hij naar een door Luxemburg afgegeven E-106-verklaring.
De inspecteur handhaaft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, stellende dat op grond van het Verdrag rijnvarenden de Nederlandse wetgeving van toepassing is omdat de exploitant van het schip in Nederland gevestigd is. De rechtbank stelt vast dat het schip met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en dat eiser als rijnvarende onder het Verdrag valt, dat voorrang heeft boven de Verordening.
De kern van het geschil is wie de exploitant van het schip is. De rechtbank acht aannemelijk dat de eigenaar, woonachtig in Nederland, tevens exploitant is, en verwierp het bewijs van eiser dat de Luxemburgse vennootschap deze rol vervult. De E-106-verklaring, gebaseerd op de Verordening, is niet relevant. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eiser geen gelijke gevallen heeft aangetoond.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de Nederlandse premieplicht van eiser voor 2006. Er is geen proceskostenvergoeding toegewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de Nederlandse premieplicht van eiser voor 2006.