ECLI:NL:RBHAA:2011:BW4027

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
9 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
15/109181-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 63 SvArt. 326 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke veroordeling wegens oplichting met betalingsverplichting aan slachtoffer

De politierechter te Haarlem heeft op 9 december 2011 een verdachte veroordeeld voor oplichting. Verdachte heeft op 21 december 2009 door middel van listige kunstgrepen een bedrag van €4.484 onrechtmatig verkregen van het slachtoffer. Verdachte deed zich telefonisch voor als medewerker van het Zorgkantoor en bracht het slachtoffer ertoe geld over te maken onder dreiging van politie en mogelijke uithuisplaatsing van diens dochter.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte het bedrag op haar privérekening heeft laten overmaken en dat zij de terugbetaling niet heeft gedaan, ondanks haar bewering van contante terugbetaling. Verdachte was niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door haar advocaat. De officier van justitie eiste een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf.

De politierechter legde een gevangenisstraf van twee maanden op, waarvan de tenuitvoerlegging werd opgeschort met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd verdachte verplicht gesteld om het slachtoffer de schade van €4.888, inclusief rente en kosten, in acht kwartaaltermijnen terug te betalen. De rechtbank benadrukte het belang van herstel van de rechtmatige toestand en stelde dat een vrijheidsstraf het genereren van inkomen en dus terugbetaling zou bemoeilijken.

De rechtbank wees de schadevergoeding toe en veroordeelde verdachte tevens tot betaling van de gemaakte en nog te maken kosten van het slachtoffer. De verdachte werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen veertien dagen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar en verplicht tot betaling van €4.888 aan het slachtoffer in termijnen.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector Strafrecht
Locatie Haarlem
Politierechter
Parketnummer: 15/109181-11
Uitspraakdatum: 9 december 2011
Tegenspraak, na aanhouding niet verschenen (ex art. 279 Sv Pro)
Proces-verbaal van het verhandelde op de openbare terechtzitting van 9 december 2011.
Aanwezig zijn:
mr. J. Snitker, politierechter,
mr. V.E.A. de Hommel, officier van justitie,
en mr. S.V. Ramdharie, griffier.
De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, hoewel behoorlijk opgeroepen als te zijn genaamd:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te Paramaribo (Suriname),
wonende te [adres],
is niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R. Pothast, advocaat te Amsterdam, welke desgevraagd verklaart uitdrukkelijk door zijn cliënte te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging.
De politierechter deelt daarop mede dat de zaak op voet van artikel 279, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering als een procedure op tegenspraak zal worden behandeld.
Als getuigen zijn ter terechtzitting aanwezig [slachtoffer/getuige 1] en [getuige 2].
Als benadeelde partij is ter terechtzitting aanwezig [slachtoffer/getuige 1] bijgestaan door haar advocaat mr. P.H. Visser, advocaat te Wormerveer.
De politierechter vangt het op 6 december 2011 geschorste onderzoek in de zaak opnieuw aan.
De officier van justitie draagt de zaak voor.
(...)
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
(...)
2. Voorvragen
De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feiten gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand met een proeftijd van twee (2) jaren en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tachtig (80) uren bij het niet (naar behoren) voldoen daarvan te vervangen door veertig (40) dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie ter terechtzitting naar voren gebracht dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafvordering van toepassing is.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie gevorderd dat deze vordering tot een bedrag van 4.598,00 euro dient te worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering te worden afgewezen, aldus de officier van justitie.
4. Bewijs
4.1. Bewijsmiddelen
(...)
4.2. Bewijsoverweging
Vast staat dat ten laste van een bankrekening van aangeefster een geldbedrag van € 4484 is overgemaakt op een privérekening van verdachte. Uit de omschrijving 'zorg awbz' en de door aangeefster gegeven toelichting leidt de politierechter af dat aangeefster meende op deze wijze onterecht genoten PGB terug te betalen.
De politierechter hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat evenbedoeld bedrag in contanten aan aangeefster is teruggegeven. Het is verdacht en ongebruikelijk dat een dergelijke betaling via de privérekening van een hulpverleenster plaatsvindt. Ondenkbaar is vervolgens dat de hulpverleenster in kwestie alsdan geen enkel direct bewijs voor de terugbetaling zou verlangen. Het kan daarom niet anders zijn, dan dat de terugbetaling in werkelijkheid niet heeft plaatsgehad.
4.3. Bewezenverklaring
De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:
zij op 21 december 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer/getuige 1] en/of [getuige 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag ter hoogte van € 4.484, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,
- zich telefonisch tegenover die [slachtoffer/getuige 1] en [getuige 2] voorgedaan alszijnde coördinator en/of medewerkster van het Zorgkantoor (terwijl zij, verdachte dat niet was) en
- te kennen gegeven dat zij, verdachte, die [slachtoffer/getuige 1] van dienst kon zijn bij de het opstellen van bezwaarschriften en
- telefonisch aan die [slachtoffer/getuige 1] en [getuige 2] te kennen gegeven dat formulieren van het Zorgkantoor niet (volledig) waren ingevuld en dat die [slachtoffer/getuige 1] enig geldbedrag aan het Zorgkantoor moest overmaken teneinde problemen te voorkomen en dat er aangifte was gedaan bij de politie en dat die [slachtoffer/getuige 1] zich schuldig zou maken aan fraude indien er geen geld aan het Zorgkantoor overgemaakt zou worden en
- te kennen gegeven aan die [slachtoffer/getuige 1] en [getuige 2] dat het door die [slachtoffer/getuige 1] enig geldbedrag terugbetaald moest worden aan het Zorgkantoor en
- in het bijzijn van [slachtoffer/getuige 1] en [getuige 2] de indruk gewekt dat zij, verdachte, de politie en/of de deurwaarder aan de telefoon had en dat die politie en/of deurwaarder aan de telefoon kenbaar maakte dat enig geldbedrag direct moest worden overgemaakt aan het Zorgkantoor en dat indien enig geldbedrag niet overgemaakt zou worden het tot gevolg zou hebben dat de verstandelijk gehandicapte dochter van die [slachtoffer/getuige 1] afgepakt zou worden en/of uit huis zou worden geplaatst en
- aan die [slachtoffer/getuige 1] en [getuige 2] te kennen gegeven dat zij, verdachte, voornoemd geldbedrag voor die [slachtoffer/getuige 1] zou overmaken aan het Zorgkantoor (door gebruik te maken van de bankpas en/of bankgegevens en/of inloggegevens van die [slachtoffer/getuige 1]) en/of
- vervolgens met hulp van die [slachtoffer/getuige 1] en/of [getuige 2] voornoemd geldbedrag heeft overgemaakt op haar, verdachtes, rekening en
- aan die [slachtoffer/getuige 1] en/of [getuige 2] te kennen gegeven dat voornoemd geldbedrag zou worden overgemaakt op een tussenrekening en dat zij, verdachte, het overgemaakte geldbedrag vervolgens zou overmaken aan het Zorgkantoor,
waardoor [slachtoffer/getuige 1] en/of [getuige 2] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
Oplichting.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering van de straf en van overige beslissingen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de politierechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
7.1. Hoofdstraf
In het bijzonder overweegt de politierechter dat verdachte op brutale wijze een familie nagenoeg het gehele spaarsaldo afhandig heeft gemaakt, en daarmee deze familie enorm heeft benadeeld. Verdachte is in het verleden meermalen voor oplichting veroordeeld tot werkstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen. Het grote aantal veroordelingen voor oplichting baart de politierechter zorg.
Daarom is de politierechter van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.
De politierechter acht in dit geval echter in de eerste plaats herstel van de rechtmatige toestand van belang. Verdachte zal de aangeefster zo snel als redelijkerwijs mogelijk schadeloos moeten stellen, en de verdachte genereert een eigen inkomen zodat terugbetaling mogelijk moet zijn. Het betalen van een schadevergoeding wordt evenwel bemoeilijkt als de verdachte een vrijheidsstraf of een taakstraf moet ondergaan, omdat verdachte alsdan geen inkomen kan genereren. Daarom zal de politierechter bepalen dat de vrijheidsbenemende straf vooralsnog niet ten uitvoer wordt gelegd en daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar.
Om herstel van de rechtmatige toestand te waarborgen zal daarnaast als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijk op te leggen straf de verplichting worden verbonden dat verdachte voor het einde van voornoemde proeftijd de door het slachtoffer [slachtoffer/getuige 1] geleden schade van € 4.888 zal voldoen. De politierechter zal bepalen dat deze betalingsverplichting desgewenst in termijnen kan worden voldaan.
7.2. Vordering benadeelde partij [slachtoffer/getuige 1]
De benadeelde partij [slachtoffer/getuige 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.888,09 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
De gestelde schade bestaat uit:
- overgeboekte gelden d.d. 21 december 2009, te weten € 4.484,00;
- wettelijke rente (4%), te weten € 254,09;
- kosten rechtsbijstand beklagprocedure bij het Hof, te weten € 50,00 en
- kosten rechtsbijstand (verhaal), te weten € 100,00.
De politierechter is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag van € 4.484,00 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2009.
De politierechter zal voornoemde wettelijke rente in de periode van 21 december 2009 tot en met 21 mei 2011 vaststellen op € 254,00.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 150,00.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De politierechter:
verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. vermeld;
verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) MAANDEN, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaar;
bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:
- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;
- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat zij voor het einde van de proeftijd de door het slachtoffer [slachtoffer/getuige 1] geleden schade, te weten een bedrag van 4.888,00 euro, zal voldoen al dan niet in acht (8) drie maandelijkse termijnen van 611,00 euro, op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor Visser onder vermelding van zaaknummer [zaaknummer] en daarvan betalingsbewijzen zal doen toekomen aan de officier van justitie in dit arrondissement;
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer/getuige 1] geleden schade tot een bedrag van € 4.484,00 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer/getuige 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2009;
stelt voornoemde wettelijke rente in de periode van 21 december 2009 tot en met 21 mei 2011 vast op € 254,00;
veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 150,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat verdachte voornoemde bedragen, samen groot € 4.888,00, al dan niet in acht (8) drie maandelijkse termijnen dient te voldoen op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor Visser onder vermelding van zaaknummer [zaaknummer].
10. Rechtsmiddel
De politierechter deelt de raadsman van verdachte mede, dat hij binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen tegen het vonnis.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.