ECLI:NL:RBHAA:2012:BV2661

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
25 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/1945
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
  • A.C. Terwiel - Kuneman
  • L. Beijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen kennisgeving verdaging beslistermijn bouwvergunning

Eiser maakte bezwaar tegen een bouwvergunning die door verweerder was verleend voor wijzigingen aan een woning. Verweerder stelde de beslissing op het bezwaar meerdere malen uit, onder meer met een kennisgeving van verdaging van zes maanden op grond van artikel 7:10, vierde lid, sub c, Awb.

Eiser betoogde dat deze verdaging onacceptabel was en inbreuk maakte op zijn eigendomsrecht, en dat verweerder onvoldoende handhavend optrad. Verweerder stelde dat de kennisgeving van verdaging een procedurebeslissing is die niet vatbaar is voor bezwaar of beroep volgens artikel 6:3 Awb Pro.

De rechtbank oordeelde dat de kennisgeving van verdaging inderdaad een beslissing betreft die slechts de procedure voorbereidt en eiser niet rechtstreeks in zijn belang treft los van het bezwaarbesluit. Daarom is het bezwaar niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond.

De rechtbank wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling en wees erop dat hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de kennisgeving van verdaging van de beslistermijn is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 11 - 1945
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 januari 2012
in de zaak van:
[naam eiser]
wonende te [woonplaats],
eiser,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2010 heeft verweerder bouwvergunning verleend ten behoeve van het veranderen van de balkonhekken en het anderszins veranderen van de woning op het perceel [locatie].
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 augustus 2010 bezwaar gemaakt.
Op 20 december 2010 heeft de commissie bezwaarschriften advies uitgebracht. Naar aanleiding van het advies heeft verweerder besloten om een ontheffingsprocedure te starten.
Bij brief van 24 december 2010 heeft verweerder eiser bericht dat de beslissing op bezwaar op grond van artikel 7:10, vierde lid, sub c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor zes maanden is verdaagd.
Tegen deze brief heeft eiser bij brief van 2 februari 2011 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 25 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van 2 februari 2011 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 31 maart 2011 bezwaar gemaakt..
Verweerder heeft het bezwaar van 31 maart 2011 doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is - gelijktijdig met de zaken AWB 10-4641, AWB 10-5761, AWB 11-141, AWB 11-2306 en AWB 11-4004 - behandeld ter zitting van 15 december 2011. Eiser is in persoon verschenen vergezeld van zijn gezinsleden. Verweerder is vertegenwoordigd door J. Pach en M. de Vries, beiden werkzaam bij de gemeente Zandvoort.
2. Overwegingen
2.1 Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of, indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Awb is ingesteld, binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken kan verdagen.
Ingevolge het vierde lid van dit artikel is verder uitstel mogelijk, voor zover:
a. alle belanghebbenden daarmee instemmen;
b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad; of
c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.
2.2 Op 20 december 2010 heeft de commissie bezwaarschriften advies uitgebracht over het bezwaar van eiser tegen de door verweerder op 9 juli 2010 verleende bouwvergunning. De commissie bezwaarschriften heeft geconstateerd dat de diepte van de balkons in strijd is met de voorschriften uit het bestemmingsplan en heeft verweerder geadviseerd om een ontheffingsprocedure te starten. Naar aanleiding van het advies heeft verweerder een ontheffingsprocedure gestart. Verweerder heeft eiser bij brief van 24 december 2010 bericht dat de beslissing op bezwaar op grond van artikel 7:10, vierde lid, sub c, van de Awb, voor zes maanden is verdaagd omdat de mogelijkheid bestond dat wegens de naleving van de wettelijke procedurevoorschriften niet binnen de wettelijk gestelde termijn op het bezwaarschrift kon worden beslist.
2.3 Eiser betoogt dat de beslissing om te verdagen voor hem onacceptabel is gezien het feit dat er, zijns inziens, inbreuk is gemaakt op zijn eigendomsrecht. Verweerder heeft ruimschoots de tijd gehad om rekening te houden met de wettelijke procedurevoorschriften. Volgens eiser weigert verweerder gevolg te geven aan zijn veelvuldige verzoeken om handhavend op te treden ten aanzien van het perceel [locatie].
2.4 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de kennisgeving van de verdaging ingevolge artikel 6:3 van Pro de Awb niet vatbaar is voor bezwaar of beroep. De verdaging van de beslistermijn betreft een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit. Eiser wordt door deze beslissing niet rechtstreeks, los van het voor te bereiden besluit op bezwaar, in zijn belang getroffen. Eisers bezwaar is daarom niet-ontvankelijk, aldus verweerder.
2.5 Artikel 6:3 van Pro de Awb bepaalt dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar en beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.
2.6 De rechtbank is van oordeel dat de brief van 24 december 2010 waarmee verweerder eiser heeft bericht dat de beslissing op bezwaar op grond van artikel 7:10, vierde lid, sub c, van de Awb voor zes maanden is verdaagd, een niet voor bezwaar of beroep vatbare beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit is, zoals bedoeld in artikel 6:3 van Pro de Awb. Het opschorten van de beslistermijn strekt slechts ter voorbereiding van het op het bezwaar te nemen besluit.
.
2.7 Eisers betoog dat verweerder geen rekening houdt met zijn belangen en zijn eigendomsrecht niet serieus neemt brengt niet met zich dat hij door het uitstel rechtstreeks in zijn belang is getroffen in de zin van voormeld artikel 6:3, eerste lid van de Awb.. Mitsdien is geen sprake van een besluit waartegen afzonderlijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
2.8 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.M. Janse van Mantgem, voorzitter van de meervoudige kamer, mr. A.C. Terwiel - Kuneman, en mr. drs. L. Beijen leden, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2012.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.