Ter toelichting voert [werkneemster] – samengevat – het volgende aan:
[werkneemster] betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan (een poging tot) diefstal.
[werkneemster] heeft van 11.00 uur tot 11.20 uur in haar pauze koffie gedronken met collega’s en de kerstmarkt beneden in het gebouw De Rijp bezocht. Toen zij om 11.20 uur terugkeerde naar haar werkplek, hoorde [werkneemster] mevrouw Kalis in de kamer van mevrouw [X] praten. Zij heeft toen aan mevrouw Kalis gevraagd of deze haar kon helpen bij het vastmaken van een armbandje dat [werkneemster] op de kerstmarkt had gekocht. Mevrouw Kalis was toen al op zoek naar het horloge van mevrouw [X]
Het is niet juist dat [werkneemster] op 9 december 2011 de kamer van mevrouw [X] tweemaal zou hebben betreden. [werkneemster] heeft de kamer van mevrouw [X] op 9 december 2011 niet betreden, omdat deze kamer op vrijdag immers nooit wordt schoongemaakt.
De directeur heeft vervolgens alle medewerkers van de tweede etage bij elkaar geroepen en hij heeft met hen gesproken over de verdwijning van het horloge.
De directeur heeft aan het einde van de bijeenkomst niet duidelijk verzocht de werkzaamheden op te schorten en bij elkaar te blijven in de koffieruimte. Iedereen verliet na het vertrek van de directeur de koffieruimte. Het is juist dat [werkneemster], zoals gebruikelijk, op dat moment de vuilniszak van haar schoonmaakkar heeft weggegooid in de container op het balkon.
[werkneemster] werd op 9 december 2011 door de leidinggevende van de eerste verdieping om 13.45 uur naar huis gestuurd.
[werkneemster] is niet aanwezig geweest bij het onderzoek van de vuilniszak waarin de pedaalemmerzakjes zaten.
Ieder willekeurig iemand kan iets in de vuilniszak in de schoonmaakkar hebben gegooid. Tijdens de pauze van [werkneemster] heeft haar schoonmaakkar onbeheerd gestaan, terwijl het onderzoek van de container pas na het vertrek van [werkneemster] is verricht.
[werkneemster] bestrijdt voorts dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan de overige door Stichting SHDH gestelde verdwijningen van geld.
De beschuldigingen van Stichting SHDH zijn onterecht.
[werkneemster] is van mening dat de arbeidsovereenkomst niet ontbonden moet worden en zij wenst haar werkzaamheden zo spoedig mogelijk te hervatten.
Voor zover de kantonrechter van oordeel is dat wel sprake zou zijn van een gewichtige reden die ontbinding rechtvaardigt, dan is een aanzienlijke vergoeding op basis van de redelijkheid en billijkheid subsidiair op basis van correctiefactor C=5,4 geïndiceerd.
[werkneemster] valt geen rechtens relevant verwijt te maken. De door [werkneemster] geleden en nog te lijden schade is als gevolg van de valse beschuldigingen aanzienlijk.