ECLI:NL:RBHAA:2012:BW1886
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot gerechtelijke verklaring wegens voldoende onderbouwing door gedaagde
De Stichting vorderde een gerechtelijke verklaring ex artikel 477a Rv omdat zij stelde dat gedaagde onjuist had verklaard dat er geen vordering van zijn broer op hem bestond. De Stichting betwistte de verklaring omdat gedaagde aanvankelijk geen justificatoire bescheiden overlegd had.
Gedurende de procedure heeft gedaagde alsnog bankafschriften en een leveringsakte overgelegd waaruit blijkt dat een groot deel van de vordering was voldaan. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van gedaagde aanvankelijk onvoldoende was onderbouwd, maar dat na overlegging van de bescheiden de verklaring inhoudelijk juist bleek.
De Stichting kon niet aantonen dat er buiten de notariële akte aanvullende afspraken waren gemaakt die de vordering zouden verhogen. De vordering tot het doen van een juiste verklaring en tot betaling werd daarom afgewezen. De kosten van de procedure werden gecompenseerd omdat gedaagde door aanvankelijke weigering de procedure noodzakelijk maakte.
Uitkomst: Vordering tot het doen van een gerechtelijke verklaring wordt afgewezen omdat gedaagde zijn verklaring met bescheiden heeft onderbouwd.