ECLI:NL:RBHAA:2012:BW8026
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag wegens niet opeisbare vordering op grond van betalingsclausule in aannemingsovereenkomst
RSB en Stolk sloten een aannemingsovereenkomst voor de verbouwing van een bedrijfspand, waarbij een handgeschreven clausule 'Betaling zodra het schikt' was opgenomen. Stolk begon in mei 2010 met werkzaamheden zonder dat de overeenkomst was gesloten en legde later conservatoir beslag op onroerende zaken van RSB wegens onbetaalde facturen.
RSB stelde dat de vordering nog niet opeisbaar was omdat betaling afhankelijk was gesteld van het verkrijgen van financiering, en dat Stolk onvolledig had voorgelicht bij het beslag. Stolk betwistte deze uitleg van de clausule en verwees naar een betalingsbelofte van RSB, die zij echter onvoldoende aannemelijk maakte.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de clausule een betalingstermijn afhankelijk van financiering inhoudt en dat de vordering daarom nog niet opeisbaar is. Ook waren facturen na stillegging van het werk onduidelijk. Het beslag werd daarom opgeheven en Stolk werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het conservatoir beslag op de onroerende zaken van RSB wordt opgeheven omdat de vordering nog niet opeisbaar is.