ECLI:NL:RBHAA:2012:BY2962

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
7 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12/2552
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.E. Heyning-Huydecoper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:72 AwbArtikel 9, zesde lid, onder c, Stageverordening 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling schorsing advocaatstage vanaf 5 februari 2012 wegens arbeidsongeschiktheid

Eiseres, een advocaat-stagiair, werd door verweerder per brief van 22 maart 2012 meegedeeld dat haar stage van rechtswege geschorst was vanaf 5 januari 2012. Eiseres maakte bezwaar tegen deze beslissing, waarop verweerder stelde dat de brief geen besluit was en het bezwaar niet in behandeling nam. De rechtbank oordeelde dat de brief wel een besluit is omdat het gericht is op rechtsgevolg en een feitelijke beoordeling voorafging.

De kern van het geschil betrof de vraag vanaf wanneer eiseres de praktijk niet meer uitoefende. Eiseres meldde zich arbeidsongeschikt vanaf 5 januari 2012, maar het UWV stelde vast dat zij vanaf 5 februari 2012 niet meer arbeidsongeschikt was. De rechtbank volgde het deskundigenoordeel van het UWV en stelde vast dat de schorsing van de stage pas vanaf 5 februari 2012 ingaat.

De rechtbank vernietigde het besluit van 17 april 2012 waarin het bezwaar niet in behandeling werd genomen en herroept het primaire besluit van 22 maart 2012. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht. De uitspraak trad in de plaats van het bestreden besluit.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat de advocaatstage van eiseres vanaf 5 februari 2012 geschorst is en vernietigt het eerdere besluit.

Uitspraak

RECHTBANK Haarlem
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/2552
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2012
in de zaak van
mr. [naam eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres
en
Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Haarlem,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.H. Gaastra.
1. Procesverloop
Bij brief van 22 maart 2012 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar advocaatstage met ingang van 5 januari 2012 van rechtswege geschorst is.
Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bij brief van 17 april 2012 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar bezwaar niet in behandeling zal worden genomen omdat de mededeling van 22 maart 2012 geen besluit betreft in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2012. Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th.M. Dams bijgestaan door gemachtigde voornoemd.
2. Overwegingen
2.1 Eiseres was werkzaam als advocaat stagiair bij het kantoor [kantoor] (hierna: het kantoor). Tijdens de stage is een conflict ontstaan tussen eiseres en haar patroon. Op 5 januari 2012 heeft eiseres zich vanwege dat conflict ziek gemeld. Per 7 januari 2012 heeft zij geen werkzaamheden meer voor het kantoor verricht. Op 23 januari 2012 heeft de bedrijfsarts een time-out tot 6 februari 2012 geadviseerd. Op 6 maart 2012 heeft het UWV op verzoek van eiseres een deskundigenadvies uitgebracht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiseres per 5 februari 2012 niet arbeidsongeschikt was. In de periode vanaf de ziekmelding tot 9 maart 2012 hebben eiseres en haar patroon – zonder resultaat – geprobeerd door middel van mediation tot een oplossing van het conflict te komen.
Ontvankelijkheid
2.2 Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat de brief van 22 maart 2012 geen besluit is. Verweerder heeft gesteld dat, nu eiseres vanaf 5 januari 2012 geen werkzaamheden meer heeft verricht, de stage van rechtswege vanaf die datum geschorst is. Een brief waarin wordt geconstateerd dat een situatie van rechtswege is ontstaan is niet gericht op rechtsgevolg. Bij gebrek aan een rechtsgevolg is er geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, aldus verweerder.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.3 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Niet in geding is dat sprake is van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan. De vraag is of sprake is of de brief gericht was op een rechtsgevolg.
2.4 Ingevolge artikel 9, zesde lid, onder c van de Stageverordening 2005 (hierna: de Stageverordening) is de stage van rechtswege geschorst gedurende de tijd dat de stagiaire (11) de praktijk niet uitoefent.
Ingevolge noot (11) bij deze bepaling kan de onder c bedoelde situatie zich onder andere voordoen indien de stagiaire arbeidsongeschikt is, tenzij die arbeidsongeschiktheid van korte duur is. Van arbeidsongeschiktheid van langere duur wordt gesproken als deze tenminste drie maanden heeft geduurd.
2.5 De rechtbank verwerpt het standpunt van verweerder, dat de brief van 22 maart 2012 niet gericht is op rechtsgevolg. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspaak van de Raad van State (o.a. de uitspraak van 30 januari 2008 LJN: BC3065) heeft een beslissing rechtsgevolg indien zij erop is gericht de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. Met de bestreden brief stelt verweerder vast dat eiseres per 5 januari 2012 geschorst is. Dit betekent dat zij geen werkzaamheden als advocaat mag verrichten en zich ook niet als zodanig mag profileren. Dat dit rechtsgevolg van rechtswege intreedt, doet niet af aan het feit dat verweerder dient vast te stellen dat de relevante situatie zich voordoet en op welk moment die situatie ingaat. Dat die situatie ‘van rechtswege’ ingaat wil slechts zeggen dat er voor verweerder geen ruimte is voor een belangenafweging, maar zegt niets over het besluitkarakter van de brief. Verweerder heeft een beoordeling moeten maken van de feiten. Immers was bij partijen in geschil of, en zo ja vanaf wanneer, eiseres de praktijk niet meer uitoefende, zoals bedoeld in de Stageverordening. Voor de beoordeling van die vraag was, gelet op noot (11) bij artikel 9 van Pro de Stageverordening, van belang of sprake was van arbeids¬ongeschiktheid van eiseres. Door te bepalen dat de schorsingsdatum 5 januari 2012 is, heeft verweerder ten aanzien van die beslispunten een beoordeling gegeven. De brief is daarom gericht op rechtsgevolg.
2.6 Gelet op het voorgaande is de brief van 22 maart 2012 een besluit. Verweerder heeft dan ook ten onrechte besloten het bezwaar van eiseres daartegen niet in behandeling te nemen. De beroepsgrond slaagt.
2.7 Eiseres is ontvankelijk in haar beroep.
Inhoudelijke beoordeling
2.8 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank zal het besluit van 17 april 2012 vernietigen. De rechtbank ziet vervolgens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. Zij overweegt daartoe als volgt.
2.9 Artikel 9, zesde lid, onder c, van de stageverordening betreft een dwingendrechtelijke bepaling, zodat verweerder bij een nieuw te nemen besluit geen andere mogelijkheid heeft dan te bepalen dat de stage van eiseres geschorst is vanaf het moment dat zij de praktijk niet meer uitoefent. De vraag is derhalve vanaf wanneer eiseres de praktijk niet meer uitoefent.
2.10 Eiseres heeft zich per 5 januari 2012 arbeidsverhouding-gerelateerd ziek gemeld. Zij heeft onweersproken gesteld dat haar huisarts haar niet geschikt achtte om te werken en dat de bedrijfsarts een time-out adviseerde tot 5 februari 2012. Eiseres heeft vervolgens op 5 februari 2012 aangegeven nog steeds arbeidsongeschikt te zijn. Het kantoor waar zij haar stage volgde heeft dit betwist en eiseres gesommeerd om weer te komen werken. Teneinde duidelijkheid hierover te verkrijgen heeft eiseres het UWV gevraagd een deskundigenoordeel te geven. Het UWV heeft aangegeven dat eiseres na 5 februari 2012 niet (meer) arbeidsongeschikt was.
2.11 Voor de uitleg van artikel 9, zesde lid, onder c, van de stageverordening en noot (11) daarbij, acht de rechtbank de beoordelingen van voornoemde artsen voldoende om vanaf 5 januari 2012 te spreken van ‘arbeidsongeschiktheid van korte duur’. De rechtbank overweegt dat deze bepaling bezwaarlijk zo bedoeld kan zijn dat de stage steeds bij kortdurende ziekte van rechtswege geschorst is. Ook situationele arbeidsongeschiktheid zoals hier aan de orde kan onder deze bepaling begrepen worden, zodat sprake was van de ‘tenzij’-grond uit noot (11). De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat niet gesteld kan worden dat eiseres reeds vanaf 5 januari 2012 de praktijk niet uitoefende.
2.12 Ten aanzien van de vraag wanneer haar stage wel als geschorst moet worden aangemerkt, heeft eiseres aangevoerd dat de schorsing ingevolge noot (11) bij artikel 9, zesde lid, onder c, van de stageverordening eerst drie maanden na ingang van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag intreedt. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Zij overweegt dat met deze noot kennelijk bedoeld is dat ‘arbeidsongeschiktheid van korte duur’ maximaal drie maanden duurt. De noot kan echter niet aldus gelezen worden dat daarin een minimumtermijn besloten ligt vanaf wanneer de schorsing kan intreden.
2.13 Eiseres heeft verder ter zitting (de rechtbank begrijpt subsidiair) gesteld dat de schorsing eerst twee maanden na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag intreedt. Zij heeft daarvoor gewezen op de beslissing van de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten van 12 september 2012. Daarin heeft de Algemene Raad overwogen dat uit artikel 4 van Pro het Stagereglement 2010 van Haarlem volgt dat voor intreding van de schorsing bij arbeidsongeschiktheid een termijn van twee maanden geldt. De rechtbank volgt eiseres, en met haar de Algemene Raad, niet in deze redenering. Artikel 4 van Pro het Stagereglement 2010 van Haarlem ziet op een informatieplicht en niet op het intreden van schorsing.
2.14 De rechtbank is van oordeel dat voor het bepalen van de datum waarop eiseres niet langer als arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt en derhalve niet langer de praktijk uitoefende, het deskundigenoordeel van de arts van het UWV dient te worden gevolgd. Het deskundigenoordeel is immers een rapport opgemaakt door een arts die onafhankelijk van partijen zijn oordeel uitbrengt. Eiseres heeft haar stelling dat zij ook na 5 februari 2012 nog arbeidsongeschikt was, in het licht van de rapportage door deze arts, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt dan ook vast dat de ‘arbeidsongeschiktheid van korte duur’ van eiseres heeft geduurd tot 5 februari 2012. Nu eiseres vanaf 5 februari 2012 geen werk meer voor het kantoor heeft verricht, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank na 5 februari 2012 de praktijk niet meer uitgeoefend. Vanaf dat moment voldeed zij dan ook aan de eisen als gesteld in artikel 9, zesde lid, onder c, van de stageverordening.
2.15 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de stage van eiseres vanaf 5 februari 2012 geschorst is.
2.16 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, zodat de hoogte van die kosten op nihil wordt gesteld.
2.17 Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, omdat eiseres het causale verband tussen de gevorderde schade en het besluit van 17 april 2012 onvoldoende heeft gesteld.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt het bestreden besluit van 17 april 2012;
3.3 herroept het primaire besluit van 22 maart 2012;
3.4 bepaalt dat de stage van eiseres vanaf 5 februari 2012 is geschorst;
3.5 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
3.6 wijst het verzoek om schadevergoeding af;
3.7 gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 156,00 aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, rechter, in tegenwoordigheid van B.E. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2012.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.