ECLI:NL:RBHAA:2012:BY3532

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
19 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12/4766 & 12/4767
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • C.E. Heyning-Huydecoper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Bomenverordening HaarlemArt. 2 Bomenverordening HaarlemArt. 4 Bomenverordening HaarlemArt. 8:86 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning voor vellen houtopstand langs Houtmanpad wegens onjuiste vergunningplichttoets

De rechtbank Haarlem behandelde het beroep tegen een omgevingsvergunning verleend aan de gemeente Haarlem voor het kappen van drie bomen en het verplaatsen van één boom ten behoeve van de aanleg van het fietspad Houtmanpad. Eiseres stelde dat ook het verwijderen van hagen en elzenhakhoutstoven vergunningplichtig is, omdat deze deel uitmaken van de hoofdbomenstructuur en niet alleen bomen met een stamdoorsnede van minimaal 20 cm.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder ten onrechte had aangenomen dat alleen bomen met een minimale stamdoorsnede vergunningplichtig zijn, terwijl de Bomenverordening ook andere houtopstanden als vergunningplichtig aanmerkt indien zij onderdeel zijn van de hoofdbomenstructuur. Eiseres toonde aan dat de houtopstand langs het Houtmanpad op de kaart met de hoofdbomenstructuur staat aangegeven.

De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het betrekking had op het vellen van de houtopstand en bepaalde dat verweerder de vergunningaanvraag in zijn geheel opnieuw moet beoordelen, met inachtneming van de volledige houtopstand. Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening af, en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het betreft het vellen van houtopstanden en verweerder dient de vergunningaanvraag opnieuw te beoordelen.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 12/4766 en AWB 12/4767
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 november 2012 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Stichting Behoud Houtmanpad e.a., te Haarlem, eiseres
(gemachtigde: mr. J.E. Dijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Haarlem.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder omgevingsvergunning verleend aan de gemeente Haarlem voor het (ver)bouwen van 5 bruggen en het kappen van
7 bomen, op het perceel nabij Houtmanpad nummer 1 te Haarlem.
Bij besluit van 9 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit in die zin gewijzigd dat in plaats van voor 7 bomen, vergunning wordt verleend voor de kap van 3 bomen en de verplaatsing van 1 boom.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam], voorzitter en [naam] secretaris, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Braeken, M.J.J. Eijkelboom-van de Geyn, G.J. Korten, R.M.T. Blommaert, M. Copic, J.J. de Vries en M. Franssen, allen werkzaam bij de gemeente Haarlem.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en zij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.
2. De in deze procedure aan de orde zijnde omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van twee nieuwe voetbruggen, een nieuwe fietsbrug en de verbreding van de Schoonoordbrug alsmede voor de kap van 3 bomen en het verplaatsen van 1 boom ten behoeve van de realisering van het project fietspad “Houtmanpad” met bijbehorende fietsbruggen.
Voor het aanleggen van het fiets- en wandelpad zelf, voor het verwijderen van diverse hagen en elzenhakhoutstoven en voor het vervangen van de beschoeiing langs het water langs het Houtmanpad, is geen omgevingsvergunning verleend, omdat daarvoor, naar de mening van verweerder, geen omgevingsvergunning vereist is.
Ten aanzien van de activiteit bouwen
3. Eiseres bestrijdt dat de realisatie van de bruggen waarover het fietspad en wandelpad worden geleid in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het gebruik van de bruggen kan niet worden aangemerkt als recreatief gebruik, gelet op de breedte daarvan. Eiseres verwacht dat het fietspad gaat dienen voor woon-werkverkeer en voor school-kinderen tussen Haarlem en Overveen. Zij wijst voorts op artikel 18, tweede lid, onder 7 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Binnenduinrand” waaruit blijkt dat bruggen uitsluitend kunnen worden gerealiseerd op gronden met de bestemming “Verkeers- en verblijfsdoeleinden”. Nu de bruggen zijn geprojecteerd op gronden met de bestemming “Recreatieve verbinding” en niet op gronden met de bestemming “Verkeers- en verblijfsdoeleinden”, is sprake van strijd met het bestemmingsplan, aldus eiseres.
4. De bruggen zijn gesitueerd op gronden die binnen het bestemmingsplan “Binnenduinrand” en het bestemmingsplan “Ramplaankwartier” zijn aangewezen voor “Recreatieve verbinding (Rv)”, respectievelijk voor “Openbaar Groen”.
Ingevolge artikel 18, eerste lid van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Binnenduinrand” zijn de op de plankaart voor “Recreatieve verbinding (Rv)” aangewezen gronden bestemd als recreatieve verbinding ten behoeve van voet- en fietspaden, speel- en groenvoorzieningen en verblijfsruimten.
Ingevolge het tweede lid, onder a worden de op de plankaart voor “Verkeers- en verblijfsdoeleinden” aangewezen gronden toegelaten:
1. voet- en fietspaden;
2. verblijfsruimte, speel- en groenvoorzieningen;
3. verhardingen en bermen;
4. waterpartijen en natuurvriendelijke oevers;
5. openbare nutsvoorzieningen;
6. bijbehorende voorzieningen waaronder straatmeubilair;
7. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen en steigers.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Ramplaankwartier” zijn de op de kaart voor openbaar groen aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor groenvoorzieningen, beplantingen, speelvoorzieningen, verhardingen en paden en bijbehorende voorzieningen, waaronder (ondergrondse) afvalcontainers en waterpartijen.
5. Met verweerder, is de voorzieningenrechter van oordeel dat daar waar in artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften behorend bij de bestemming “Recreatieve verbinding” wordt gesproken over “Verkeers- en verblijfsdoeleinden” sprake is van een kennelijke verschrijving van de planwetgever. Dit leidt de voorzieningenrechter af uit de context van de planvoorschriften en bijbehorende plankaart. Dit betekent dat verweerder op goede gronden de voorschriften als behorende bij “Recreatieve Verbinding” heeft aangemerkt.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gronden waar de gemeente voornemens is het fietspad en wandelpad te realiseren in het bestemmingsplan “Binnenduinrand” expliciet zijn bestemd als zijnde bedoeld voor de aanleg van een pad voor recreatief verkeer.
De voorzieningenrechter volgt eiseres niet in haar betoog dat sprake is van strijd met de bestemming “Recreatieve verbinding” omdat het pad overwegend gebruikt zal worden als fiets- en wandelpad voor woon- werkverkeer . Gelet op de ligging van het pad, vormt dit een verbinding tussen stad en duinen/strand en zal het als zodanig veel recreatief verkeer trekken, mede gelet op de groene omgeving. Mede om die reden is voor de realisatie van het fietspad ook subsidie verleend door Provinciale Staten van Noord-Holland. Zoals eiseres ter zitting zelf heeft aangegeven zijn voor doorgaand woon-werkverkeer tevens de Vlaamseweg en de Zijlweg beschikbaar. Dat van het fiets- en wandelpad mogelijk ook gebruik zal worden gemaakt voor woon- werkverkeer en dat langs het pad zelf geen sprake is van extensieve recreatie, zoals picknickplaatsen of uitkijkplekken, geeft geen aanleiding om het beoogde recreatieve karakter in twijfel te trekken.
Op één punt is een klein onderdeel van één van de bruggen geprojecteerd op gronden welke liggen binnen het bestemmingsplan “Ramplaankwartier” en welke de bestemming “Openbaar Groen” hebben. Ook ten aanzien van het deel dat is gelegen op gronden met de bestemming “Openbaar Groen” is er geen grond voor het oordeel dat het realiseren van een brug ten behoeve van een pad met deze bestemming in strijd is.
Verweerder heeft voorts onweersproken gesteld dat het pad niet zal worden gerealiseerd op gronden met de bestemming “Water”, maar dat op deze gronden sprake zal zijn van oeverstroken en natuurvriendelijke oevers bij wijze van berm voor het wandelpad. Dergelijke oevers worden op als “Water” aangewezen gronden toegelaten. De voorzieningenrechter volgt voorts verweerder in diens betoog dat het aanbrengen van beschoeiing in het water, ingevolge artikel 2 aanhef Pro en dertiende lid van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningvrij is.
7. Nu de aanleg van het fiets- en wandelpad valt binnen de bestemming, en de bestemmingsplannen verder geen aanlegvergunningenstelsel kennen, volgt de voorzieningenrechter verweerder ook in zijn betoog dat voor het aanleggen van het fietspad zelf geen omgevingsvergunning is vereist. De realisatie van het fietspad met bijbehorende bruggen is aldus in overeenstemming met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen.
8. Eiseres wijst voorts op de voorwaarde die is opgenomen in de plantoelichting bij het bestemmingsplan “Binnenduinrand”, waarin staat dat het deel van het schoolgebouw van de Beatrixschool dat door het opnemen van de bestemming “Recreatieve Verbinding” is wegbestemd, in een later stadium moet worden afgebroken. Deze voorwaarde is tot op heden nog niet uitgevoerd. Dit staat de aanleg van een functioneel fietspad in de weg, aldus eiseres. Zonder het slopen van het gebouw wordt het fietspad te smal en zal de aanleg ten koste gaan van waardevolle houtopstanden en zal de watergang moeten worden versmald.
9. In paragraaf 2.7 van de plantoelichting van bestemmingsplan “Binnenduinrand”(p. 25) is te lezen:
Ten behoeve van de nieuwbouwopgave (van de openbare basisschool Beatrix) gelden drie ruimtelijk voorwaarden:
1. De uitbreiding kan plaatsvinden indien in de nieuwbouwplannen rekening wordt gehouden met de sloop van de huidige bebouwing gelegen binnen de bestemming “Recreatieve verbinding (Rv)”. Deze bebouwing is op de plankaart wegbestemd ten behoeve van de aanleg van de recreatieve verbinding.
[…]
10. Naar verweerder ter zitting heeft verklaard, is de nieuwbouw van de Beatrixschool inmiddels gerealiseerd, maar is de in de plantoelichting genoemde voorwaarde daarbij niet toegepast.
11. Hoewel de voorzieningenrechter is gebleken dat de bezwaren van eiseres tegen het plan zich concentreren op dat deel van het fietspad dat achter de Beatrixschool loopt en uitvoering van de eerdergenoemde voorwaarde – te weten (gedeeltelijk) sloop van het schoolgebouw – deze bezwaren wellicht zou kunnen wegnemen, vormt het feit dat eerdergenoemde voorwaarde niet is nagekomen geen grond om de rechtmatigheid van de in deze procedure bestreden omgevingsvergunning aan te vechten. Zoals in rechtsoverweging 7. is overwogen, geldt ten aanzien van de aanleg van het fietspad geen vergunningplicht en is er derhalve geen ruimte voor verweerder om eerdergenoemde voorwaarde te betrekken in de besluitvorming. Deze beroepsgrond faalt derhalve.
12. Eiseres voert tenslotte aan dat verweerder ten onrechte het advies van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: ARK) om het fietspad te verleggen en de locatie van de bruggen aan te passen niet heeft opgevolgd.
13. Ten aanzien van het verleggen van de locatie van de bruggen is, naar verweerder ter zitting ook nader heeft onderbouwd, het advies van de ARK wel opgevolgd. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder het advies van de ARK ten aanzien van de loop van het fietspad terecht naast zich heeft neergelegd nu dit niet de activiteit bouwen betreft en de aanleg van het fietspad zoals hiervoor reeds is aangegeven, vergunningvrij is. Deze beroepsgrond faalt.
Ten aanzien van de activiteit vellen van houtopstand.
14. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte alleen omgevings¬vergunning heeft verleend voor de kap van drie bomen. Zij voert aan dat verweerder voornemens is, behalve de drie bomen nog meer houtopstand te verwijderen waarvoor eveneens omgevingsvergunning had moeten worden aangevraagd en verleend. Eisers wijst hierbij op diverse hagen en elzenhakhoutstoven. Anders dan verweerder stelt, is op grond van artikel 2 lid 1 van Pro de Bomenverordening Haarlem niet alleen de kap van bomen vergunningplichtig, aldus eiseres. Bovendien is het vellen van de betreffende hagen en elzenhakhoutstoven omgevings¬vergunning¬¬plichtig nu de houtopstand deel uitmaakt van de hoofd¬bomenstructuur. Eiseres verwijst hiervoor naar artikel 2, tweede lid, van de Bomenverordening.
15. Verweerder erkent dat het fietspad slechts kan worden gerealiseerd met de kap van drie bomen en het verwijderen van een haag en elzenhakhoutstoven. Hij stelt zich evenwel op het standpunt dat op grond van de Bomenverordening slechts voor de kap van houtopstanden met een doorsnee van de stam van 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld een omgevingsvergunning vereist is. Nu de haag en elzenhakhoutstoven geen zodanige stam hebben behoeft, naar zijn mening, voor het verwijderen daarvan geen vergunning te worden gevraagd. Verweerder heeft overigens in het bestreden besluit en opnieuw ter zitting aangegeven de manager van de afdeling Stedelijke Projecten te hebben verzocht te bezien of de hakhoutstoven wellicht geheel of gedeeltelijk behouden kunnen blijven.
16. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Bomenverordening Haarlem (hierna: de Bomenverordening) wordt [in deze afdeling] onder houtopstand verstaan: één of meer bomen of boomvormers, andere houtachtige gewassen, een beplanting van bosplanten of een struweel met een de onder onder sub b genoemde minimale dwarsdoorsnede.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, wordt [in deze afdeling] onder boom verstaan: een houtachtig, opgaand gewas, zowel vitaal als afgestorven, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, wordt [in deze afdeling] onder hoofdbomenstructuur verstaan: vastgestelde opbouw en onderlinge samenhang van houtopstand in een bepaald gebied.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te kappen of te doen kappen.
Ingevolge het tweede lid – voor zover hier van belang – is het eveneens verboden zonder vergunning van het college, ongeacht de dwarsdoorsnede, te kappen indien sprake is van:
- […];
- een houtopstand onderdeel uitmakend van de hoofdbomenstructuur;
- […].
Ingevolge artikel 4, tweede lid wordt een vergunning geweigerd indien het belang van verlening niet opweegt tegen één of meer van de volgende waarden van behoud van houtopstand:
- natuur- en milieuwaarden;
- landschappelijke waarden;
- cultuurhistorische waarden;
- waarden van stads- en dorpsschoon,
- waarden voor recreatie en leefbaarheid;
- monumentale- en waardevolle bomen;
- bijzondere houtopstand.
Ingevolge artikel 4, vierde lid wordt in beginsel geen vergunning verleend indien het kappen in strijd is met de Flora- en faunawet, de Habitatrichtlijn, of andere regelgeving inzake natuurbescherming.
17. De voorzieningenrechter neemt nota van de toezegging van verweerder dat hij zal bezien of de haag en de hakhoutstoven gespaard kunnen worden, doch ziet zich, gelet op de beroepsgrond van eiseres, gesteld voor de vraag of deze hakhoutstoven wel zonder vergunning kunnen worden gekapt.
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar betoog dat dat niet het geval is, ter zitting aan de hand van foto’s aangegeven dat niet zonder meer aannemelijk is dat de dwarsdoorsnede van deze hakhoutstoven in alle gevallen minder is dan 20 centimeter zoals omschreven in artikel 1, aanhef en onder a en b, van de Bomenverordening. De voorzieningenrechter deelt het standpunt van eiseres, dat dit op voorhand niet vaststaat.
Daarnaast is de voorzieningenrechter met eiseres van oordeel dat verweerder niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de haag (volgens eiseres: hagen) en elzenhakhoutstoven niet kunnen worden aangemerkt als ‘houtopstand’ volgens de Bomenverordening nu zij niet voldoen aan het in artikel 1, aanhef en onder b, voor bomen gestelde criterium dat de dwarsdoorsnede van de stam minimaal 20 centimeter is op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. Indien de lezing van verweerder van artikel 1, aanhef en onder a, van de Bomenverordening juist zou zijn, valt immers niet in te zien waarom daarin, naast bomen ook nog diverse andere beplanting onder ‘houtopstand’ wordt genoemd, waaronder bosplanten en struwelen. Dergelijke beplanting wordt zo goed als nooit hoger dan 1,3 meter en heeft in ieder geval nooit op die hoogte de vereiste omvang. Deze uitgebreide definitie zou, naar haar oordeel, dan ook overbodig zijn.
Voorts wordt in artikel 2 tweede Pro lid van de Bomen¬verordening ook een kapvergunning vereist, ongeacht de dwarsdoorsnede, voor het kappen van ‘houtopstand onderdeel uitmakend van een hoofdbomenstructuur’. Als, zoals verweerder stelt, pas sprake is van houtopstand als voldaan wordt aan de eerder genoemde minimale dwarsdoorsnede is deze bepaling zinledig.
Uit het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat ook andere ’houtopstand’ dan bomen omgevingsvergunningplichtig kan zijn. Daarvoor is het van belang of deze onderdeel uitmaken van de hoofdbomenstructuur. Ter zitting heeft eiseres aangetoond dat de houtopstand langs het Houtmanpad op de kaart met de hoofdbomen¬structuur staat aangegeven. Voor de uitleg van verweerder gegeven ter zitting, dat de hoofdbomenstructuur alleen ziet op een planmatig aangelegde rij bomen en niet op hakhoutstoven die niet zijn geplant, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten in de tekst van artikel 1 aanhef Pro en onder e, van de Bomenverordening. De beroepsgrond dat het vellen van de houtopstand ter plaatse vergunningplichtig is, nu het deel uitmaakt van de hoofdbomenstructuur, treft derhalve doel.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat geen vergunning vereist is voor het verwijderen van de haag (of hagen) en elzenhakhoutstoven. Behalve voor de drie bomen had verweerder ook voor deze houtopstanden dienen te toetsen of er sprake was van een weigeringsgrond ingevolge artikel 4, tweede lid van de Bomenverordening.
Verweerder heeft in zijn besluit gemotiveerd aangegeven waarom het kappen van de drie door hem als omgevingsvergunningplichtig aangemerkte bomen niet in strijd is met voornoemd artikel van de Bomenverordening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal verweerder de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden echter in zijn totaliteit opnieuw moeten heroverwegen. Zij acht het namelijk niet uitgesloten dat de toets ten aanzien van drie individuele bomen, anders zou kunnen uitvallen dan ten aanzien van de bomen in samenhang met de haag (of hagen) en elzenhakhoutstoven. De waarde van het geheel kan immers meer zijn dan die van ieder deel apart. De kap van drie bomen heeft ook minder impact op de omgeving en op natuur- en landschapswaarden dan de kap en het verwijderen van alle houtopstanden ter plaatse. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de commissie in haar advies nog expliciet heeft gewezen op de belangrijke natuurwaarden van de hakhoutstoven.
18. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat sprake is van een weigeringsgrond op grond van artikel 4, vierde lid van de Bomenverordening omdat de aanwezigheid van een migratieroute voor vleermuizen ter hoogte van het Houtmanpad aannemelijk maakt dat voor de kap van de bomen ontheffing noodzakelijk is op grond van de Flora- en faunawet, merkt de voorzieningenrechter op dat uit het onderzoek dat in 2007 in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan “Binnenduinrand” is gedaan naar de invloed van het plan op de natuurlijke en ecologische waarden in het gebied, is gebleken dat het (conserverende) bestemmingsplan geen negatieve invloed had op deze waarden. Alleen in het bos van landgoed Duinvliet komen wettelijk beschermde soorten vleermuizen voor. Deze vleermuizen gebruiken het tuinbouwgebied wel om voedsel te zoeken.
Eiseres heeft haar standpunt dat vleermuizen worden verontrust door de kap van de houtopstanden niet nader onderbouwd met een deskundigenadvies.
Gelet op het vorenstaande kon verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat.. Dat het ontbreken van een deskundigen advies, aldus eiseres, te wijten is aan het feit dat de juiste periode voor het doen van onderzoek naar de bewegingen van vleermuizen ter plaatse pas weer volgens jaar is, doet daaraan niet af. Deze beroepsgrond faalt.
19. Het beroep is gegrond. Het besluit is in strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12 van Pro de Awb voor zover daarin is bepaald dat geen omgevingsvergunning vereist is voor het vellen van de aanwezige haag (of hagen) en elzenhakhoutstoven en daarnaar ten onrechte ook geen onderzoek is gedaan. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen in het kader van de nieuwe besluitvorming omtrent de behandeling van het bezwaar van eiseres de vergunninghouder (de gemeente Haarlem) in de gelegenheid te stellen de aanvraag met betrekking tot de activiteit het vellen van houtopstand aan te vullen en vervolgens met in achtneming van het bepaalde in deze uitspraak daarover opnieuw te beslissen.
20. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt.
21. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Vanwege de uitkomst van de zaak heeft die proceskostenveroordeling ook betrekking op het verzoek om voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.311,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 oktober 2012 voor zover daarbij is beslist op
het verzoek om omgevingsvergunning ten aanzien van de activiteit vellen van een
houtopstand;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 620,-- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.311,--, te betalen
aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2012.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarmee is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor zover bij deze uitspraak is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening staat daartegen geen rechtsmiddel open.