ECLI:NL:RBLEE:1998:AA5086
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vervolging wegens schending redelijke termijn en vertrouwensbeginsel bij overtreding Destructiewet
Op 19 april 1996 meldde verdachte problemen met haar afvalwaterzuiveringsinstallatie, wat leidde tot een strafrechtelijk onderzoek wegens voortdurende overtreding van vergunningsvoorschriften. De officier van justitie startte in mei 1996 het onderzoek en legde in juni 1996 een voorlopige maatregel op. Ondanks voortdurende overtredingen werd de voorlopige maatregel in december 1996 opgeheven zonder verdere actie, waarna pas in oktober 1998 een dagvaarding werd uitgebracht.
De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard wegens een onredelijke vertraging en het vertrouwensbeginsel, omdat verdachte mocht aannemen dat geen strafvervolging zou volgen. De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie door het lange tijd uitblijven van vervolging en het intensieve bestuurlijk handhavingstraject het vertrouwen van verdachte had gewekt dat strafrechtelijke vervolging achterwege zou blijven.
De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet ontvankelijk voor de onder 1 t/m 4 ten laste gelegde feiten en veroordeelde verdachte voor de overtreding onder 5 tot betaling van een geldboete van 300 gulden. De overige ten laste gelegde feiten werden niet bewezen verklaard. Dit vonnis werd gewezen door de rechtbank Leeuwarden op 24 december 1998.
Uitkomst: Officier van justitie niet ontvankelijk verklaard voor vier feiten; verdachte veroordeeld tot geldboete van 300 gulden voor overtreding Destructiewet.