ECLI:NL:RBLEE:2000:AA5033

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
22 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
17/085567-99
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24d SrArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van 145.000 gulden

De rechtbank Leeuwarden behandelde op 22 februari 2000 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene. Betrokkene was veroordeeld voor strafbare feiten en de officier van justitie vorderde vaststelling van het bedrag waarop het voordeel werd geschat.

Tijdens de zitting van 8 februari 2000 was betrokkene niet aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd door zijn raadsman. De rechtbank stelde vast dat betrokkene voordeel had verkregen uit de baten van de gepleegde strafbare feiten. Op basis van de verklaring van betrokkene zelf werd het bedrag vastgesteld op 145.000 gulden.

De rechtbank legde betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen. Voor het geval van niet-betaling of niet-volledig verhaal werd vervangende hechtenis van 245 dagen opgelegd, waarbij gedeeltelijke betaling de duur van de hechtenis niet vermindert.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank, onder voorzitterschap van R.S. Wegener Sleeswijk en met medewerking van de rechters J.Y.B. Jansen en I.M. Dölle.

Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld tot betaling van 145.000 gulden aan de staat met vervangende hechtenis bij niet-betaling.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN
Verkorte beslissing.
Uitspraak d.d. 22 februari 2000.
Parketnummer 17/085567-99.
UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden op een vordering van de officier van justitie in dit arrondissement d.d. 22 oktober 1999 in de strafzaak tegen:
[betrokkene],
geboren [1944] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
nader te noemen; betrokkene.
DE VORDERING:
De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van / 145.000,00 ter ontneming van het door betrokkene uit het in de zaak met parketnummer 17/085567-99 telastegelegde, en/of uit soortgelijke feiten en/of uit feiten waarvoor een geldboete kan worden opgelegd van de vijfde categorie, wederrechtelijk verkregen voordeel.
DE PROCESGANG:
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 8 februari 2000 waarbij betrokkene niet is verschenen, maar wel zijn raadsman mr F. van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, die verklaart door betrokkene uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om de verdediging te mogen voeren.
DE BEOORDELING:
De rechtbank heeft betrokkene bij vonnis van 22 februari 2000 in de zaak met parketnummer 17/085567-99 veroordeeld terzake door hem gepleegde strafbare feiten. Op grond van de inhoud van bovenstaande wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat betrokkene voordeel heeft verkregen uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten, zodat de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, vast aan de hand van de verklaring zoals deze door betrokkene is afgelegd, waarin hij heeft verklaard dat hij voor zijn betrokkenheid een bedrag van
/ 145.000,00 heeft ontvangen.
De rechtbank stelt daarmee het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat vast op / 145.000,00.
TOEPASSING VAN DE WETSARTIKELEN:
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
/ 145.000,00.
Legt betrokkene voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van / 145.000,00 (zegge: honderdvijfenveertigduizend gulden) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Beveelt dat, voor het geval noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 245 dagen, met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis niet wordt verminderd door het voldoen van slechts een gedeelte van het verschuldigde bedrag.
Deze uitspraak is gegeven door mr R.S. Wegener Sleeswijk, voorzitter, mrs J.Y.B. Jansen en I.M. Dölle, rechters, bijgestaan door mr N.D.P. van der Hoek, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 22 februari 2000.