ECLI:NL:RBLEE:2000:AA5102
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid bezwaar werkgever bij intrekking WAO-uitkering werknemer
Verzoeker, werkzaam als onderbaas bij Frisian Shipyard Welgelegen BV (FSW), kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid. Verweerder trok deze uitkering in per 1 juni 1999, omdat verzoeker primair geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. FSW tekende bezwaar aan tegen dit besluit, maar de rechtbank stelde vast dat FSW geen rechtstreeks belang had bij het besluit, omdat het financiële belang van FSW pas twee jaar later bij het premiebesluit aan de orde komt.
De rechtbank onderscheidde tussen eigenrisicodragende (ERD) en niet-eigenrisicodragende werkgevers (niet-ERD). FSW was een niet-ERD-werkgever, waardoor het belang bij het WAO-besluit niet direct en concreet was. Het bezwaar van FSW werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het bestreden besluit geschorst en werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van het rechtstreeks belangbegrip in bestuursrechtelijke procedures en verduidelijkt de positie van werkgevers bij WAO-besluiten na invoering van de wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
Uitkomst: Het bezwaar van de werkgever FSW wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan rechtstreeks belang, en het bestreden besluit wordt geschorst.