ECLI:NL:RBLEE:2001:AD4040
Rechtbank Leeuwarden
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het weduwenpensioen in de AOW-toeslag op grond van het Inkomensbesluit
De zaak betreft een geschil over de toepassing van het Inkomensbesluit AOW 1996 bij de vaststelling van de AOW-toeslag van eiser. De Sociale Verzekeringsbank bracht het weduwenpensioen van de partner van eiser, verstrekt door het Philips Pensioenfonds, in mindering op de toeslag. Eiser betwistte deze toepassing en stelde dat alleen inkomen gerelateerd aan eigen arbeid van de jongere partner in aanmerking mocht worden genomen.
De rechtbank overwoog dat het weduwenpensioen verband houdt met de arbeid van de overleden echtgenoot en daarmee inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven is, zoals bedoeld in het Inkomensbesluit. De tekst en ratio van art. 8 lid 1 AOW Pro ondersteunen deze uitleg, waarbij het inkomen van de jongere partner als geheel wordt betrokken.
De verwijzing van eiser naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep was niet relevant, omdat het Philips-pensioen geen uitkering op basis van ingezetenschap betreft. De rechtbank concludeerde dat het Inkomensbesluit niet in strijd is met het wettelijke inkomensbegrip en dat de beëindiging van de toeslag met ingang van 1 juli 1999 terecht is.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.