ECLI:NL:RBLEE:2002:AD8762

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
23 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41583 HAZA 00-0669
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 213 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs van opdracht tot architectuurwerkzaamheden

De besloten vennootschap Bonnema Borren Staalenhoef B.V. vorderde dat de rechtbank vaststelde dat zij in augustus 1999 door Hardegarijp opdracht had gekregen om schetsen te maken voor de uitbreiding van een hotel. Bonnema bracht bewijs in door middel van getuigenverklaringen van een architect en haar directeur. De tegenpartij, Hardegarijp en een medegedaagde, voerden tegenbewijs aan met eigen getuigen.

De rechtbank oordeelde dat Bonnema niet geslaagd was in het bewijs van de opdracht. De verklaringen van de directeur en architect waren onvoldoende en werden deels als partijgetuigenverklaringen slechts als aanvullend bewijs toegelaten. De getuigen van de tegenpartij ontkenden dat een opdracht was gegeven en stelden dat de werkzaamheden mogelijk als een vriendendienst waren verricht.

De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van stilzwijgende toestemming of een vergelijkbare situatie als in het aangehaalde arrest van de Hoge Raad. De vordering werd daarom integraal afgewezen en Bonnema werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Bonnema af wegens onvoldoende bewijs van een opdracht.

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden
Sector handelsrecht
Uitspraak: 23 januari 2002
Zaak-/Rolnummer: 41583 HAZA 00/669
VONNIS IN VERSNELD REGIME
van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van:
de besloten vennootschap
BONNEMA BORREN STAALENHOEF B.V.,
gevestigd te Hurdegaryp,
eiseres, hierna te noemen: Bonnema,
procureur: mr. P. Tuinman,
tegen
1. de besloten vennootschap
HOTEL-CAFÉ-RESTAURANT HARDEGARIJP EXPLOITATIE,
2. [gedaagde sub 2],
beiden gevestigd/wonende te Hurdegaryp,
gedaagden, hierna te noemen: Hardegarijp en [gedaagde sub 2],
procureur: mr. P. van Schravendijk.
PROCESGANG
Bij tussenvonnis van 10 januari 2001 is Bonnema bewijslevering opgedragen. Bonnema heeft in enquête twee getuigen voorgebracht. [gedaagde sub 2] heeft vervolgens in contra-enquête eveneens twee getuigen voorgebracht. Van hun verhoor is telkens proces-verbaal opgemaakt. Bonnema heeft vervolgens een conclusie na enquête genomen, gevolgd door een antwoordconclusie na enquête van de zijde van [gedaagde sub 2].
Ten slotte is door partijen vonnis gevraagd. De rechtbank wijst vonnis op het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden.
RECHTSOVERWEGINGEN
Nadere beoordeling van het geschil
1. De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de processtukken waaronder ook het vonnis van deze rechtbank van 10 januari 2001, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.
De rechtbank neemt over hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.
2. Bonnema is in het tussenvonnis toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waarop kan worden gebaseerd, dat [gedaagde sub 2] in augustus 1999 namens Hardegarijp aan Bonnema - vertegenwoordigd door de heer Bonnema - opdracht heeft gegeven om ten behoeve van de uitbreiding van het hotel van Hardegarijp schetsen (een voorlopig ontwerp) te maken op basis van tekeningen (van Westeind) die [gedaagde sub 2] aan Bonnema ter beschikking had gesteld.
3. In enquête heeft Bonnema [B.] (destijds als architect werkzaam voor Bonnema), alsmede haar directeur A. Bonnema als getuigen voorgebracht.
Voor de afgelegde verklaringen wordt verwezen naar het van het verhoor opgemaakte proces-verbaal, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
4. In contra-enquête heeft [gedaagde sub 2] zichzelf, alsmede zijn echtgenote, die als bedrijfsleidster werkzaam is in het hotel Hardegarijp, als getuigen voorgebracht.
Voor de afgelegde verklaringen wordt verwezen naar het van het verhoor opgemaakte proces-verbaal, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
5.1. De rechtbank acht Bonnema niet geslaagd in het opgedragen bewijs. Daartoe wordt het navolgende overwogen.
5.2. A. Bonnema heeft verklaard dat [gedaagde sub 2] in augustus 1999 naar hem toe is gekomen in het kader van de voorgenomen bouw. Volgens A. Bonnema heeft [gedaagde sub 2] hem toen opdracht gegeven om schetsen (een voorlopig ontwerp) te maken op basis van een tekening (van Westeind) die [gedaagde sub 2] aan A. Bonnema gaf. De daarop volgende gesprekken met [gedaagde sub 2] zijn volgens A. Bonnema gevoerd door [B.].
Op grond van artikel 213 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering kan deze verklaring van de statutair directeur van Bonnema als partijgetuige echter slechts dienen ter aanvulling van onvolledig bewijs.
5.3. Voor het overige is in enquête slechts bewijs bijgebracht middels de verklaring van [B.]. Uit de verklaring van A. Bonnema volgt echter dat [B.] niet aanwezig is geweest tijdens het cruciale gesprek in augustus 1999, waarbij de opdracht zou zijn gegeven. Ook uit de verklaring van [B.] blijkt dat hij hierbij niet aanwezig is geweest. [B.] heeft verklaard dat hij de indruk had dat A. Bonnema en [gedaagde sub 2] al eerder met elkaar hadden gesproken over de uitbreiding van het hotel. Tijdens het eerste gesprek dat [B.] met [gedaagde sub 2] voerde, is volgens [B.] niet gesproken over een opdracht van [gedaagde sub 2] aan Bonnema. [B.] kan niet meer concreet aangeven met welke afspraak dit gesprek is geëindigd. [B.] heeft het zo opgevat dat het de bedoeling was dat Bonnema een plan zou maken voor de uitbreiding van het hotel. Vervolgens is [B.] met één van zijn collega-architecten begonnen met het maken van schetsen voor de uitbreiding van het hotel. Op een gegeven moment heeft [B.] een factuur aan [gedaagde sub 2] gezonden, zonder dat hij dat van te voren met [gedaagde sub 2] besproken had. Weliswaar heeft [gedaagde sub 2] volgens [B.] nooit aangegeven dat de door Bonnema verrichte werkzaamheden een vriendendienst betroffen, maar [B.] heeft eveneens verklaard dat niet valt uit te sluiten dat de onderhavige werkzaamheden als een vriendendienst van Bonnema aan [gedaagde sub 2] moeten worden beschouwd.
5.4. Tegenover de verklaringen in enquête staan bovendien de verklaringen van [gedaagde sub 2] en zijn echtgenote. Volgens de echtgenote van [gedaagde sub 2], [W.], heeft A. Bonnema op een gegeven moment gevraagd of hij eens een architect van zijn kantoor mocht langssturen met een idee voor de uitbreiding van het hotel. [W.] vond het onbeleefd om dat te weigeren en zij had daarbij ook de indruk dat daaraan geen kosten waren verbonden. Ook in de contacten met [B.] is nimmer opdracht gegeven voor een ontwerp van de uitbreiding van het hotel, aldus [W.]. Volgens [gedaagde sub 2] heeft A. Bonnema niet gevraagd of hij eens een architect mocht langssturen, maar heeft hij gezegd dat hij eens met hem moest praten over de uitbreidingsplannen van het hotel. Korte tijd later is [B.] bij hem gekomen. Een opdracht voor een ontwerp van de uitbreiding van het hotel heeft [gedaagde sub 2] volgens hem nimmer gegeven.
6. Omdat Bonnema niet geslaagd is in het opgedragen bewijs, zal de vordering integraal worden afgewezen. Hieraan kan het beroep dat Bonnema bij conclusie na enquête heeft gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1986, NJ 1987, 19, niet afdoen. [gedaagde sub 2] heeft bij antwoord-conclusie na enquête terecht opgemerkt dat de onderhavige situatie niet te vergelijken is met die in genoemd arrest. Van stilzwijgende toestemming door [gedaagde sub 2] is geen sprake.
7. Bonnema zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.
BESLISSING
De rechtbank:
1. wijst de vordering af;
2. veroordeelt Bonnema in de kosten van het geding, aan de zijde van [gedaagde sub 2] en Hardegarijp begroot op €215,55 euro aan verschotten en op 1.325,04 euro aan salaris procureur;
3. verklaart de veroordeling sub 2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 23 januari 2002.
3