ECLI:NL:RBLEE:2002:AD9315

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
15 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/794 AWBZ
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:9 AwbArt. 6 f ZorgindicatiebesluitArt. 9a AWBZArt. 9b AWBZArt. 5 lid 2 Regeling Ziekenfondsraad 17 december 1998
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing persoonsgebonden budget wegens afwezigheid mantelzorguitval

Eiser heeft een persoonsgebonden budget (PGB) aangevraagd omdat hij volledig hulpbehoevend is en zijn echtgenote hem verzorgt. Het Regionaal Indicatie Orgaan Noord-Friesland (RION) heeft het verzoek afgewezen omdat de mantelzorg geen uitval of tekorten vertoont. Verweerder volgde dit advies en weigerde het PGB toe te kennen.

De rechtbank oordeelt dat het advies van het RION niet in strijd is met het bestuursrecht en dat de gehanteerde 'Algemeen Aanvaarde Standaard Gezinsverzorging' (AASV) niet onredelijk is. De AASV stelt dat het huishouden primair verantwoordelijk blijft en externe hulp pas wordt ingezet bij dreigende overbelasting. De mantelzorg van eiser voldoet aan deze norm, waardoor geen PGB wordt toegekend.

De rechtbank benadrukt dat de AASV wel ruimte laat voor toekenning van een PGB indien mantelzorg tekortschiet, maar dat dit hier niet het geval is. De aanvraag is terecht afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een persoonsgebonden budget wordt afgewezen wegens afwezigheid van mantelzorguitval.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 01/794 AWBZ
Inzake het geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. A.Z. van Braam, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp in Leeuwarden,
en
Zorgkantoor Friesland, gevestigd te Leeuwarden, verweerder,
gemachtigden: M.E. Venema en mr. M.E. Sybrandy, beiden werkzaam bij verweerder.
Procesverloop
Bij brief van 25 juli 2001 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ).
Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 6 februari 2002. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn echtgenote, [naam echtgenote], en door zijn gemachtigde. Verweerder is -daartoe door de rechtbank opgeroepen- bij gemachtigden verschenen.
Motivering
Op 21 januari 1999 heeft eiser, die is geboren op [...] 1943, een persoonsgebonden budget (PGB) aangevraagd. Gebleken is dat eiser met alles geholpen moet worden. Zijn echtgenote verzorgt hem al jaren, maar wil dit nu via een PGB doen. Het Regionaal Indicatie Orgaan Noord-Friesland (RION) heeft op 11 november 1999 een indicatiebesluit afgegeven. Daarin wordt het verzoek van eiser afgewezen, omdat de mantelzorg geen uitval of tekorten heeft om hulp te verlenen. Bij besluit van 15 november 1999 heeft verweerder, overeenkomstig het standpunt van het RION, geweigerd om eiser een PGB toe te kennen, onder de vermelding dat bij het RION bezwaar kan worden gemaakt tegen het indicatiebesluit.
Bij besluit van 27 juli 2000 heeft het RION het tegen het indicatiebesluit ingediende bezwaarschrift van 13 december 1999 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 maart 2001 (nr. 00/965 AWBZ) heeft de rechtbank, gelet op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, het tegen het besluit van 27 juli 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 juli 2000 vernietigd en het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van 13 december 1999 alsnog ongegrond verklaard.
Verweerder stelt zich -onder meer en samengevat- op het standpunt dat het huishouden altijd primair verantwoordelijk blijft voor het eigen functioneren. Eisers echtgenote verzorgt hem volledig. Zij heeft verklaard dat dit haar niet te zwaar is en dat zij niet vraagt om een hulp die bepaalde taken van haar moet overnemen. Alleen als overbelasting van de verzorger blijkt, wordt de lichamelijke verzorging door de externe hulpverlening overgenomen. Volgens verweerder wordt per individueel geval beoordeeld of, waar mantelzorg wordt gegeven, het gezinssysteem zich kan redden.
Namens eiser is -onder meer en samengevat- aangevoerd dat een aanvrager ook in aanmerking kan komen voor een PGB dat aangewend kan worden ten behoeve van personen die behoren tot de kring van de mantelzorg; als het standpunt van verweerder zou moeten worden gevolgd, zou nooit een PGB kunnen worden toegekend als het gezinssysteem zich als bovenbedoeld kan redden. Ter zitting is daaraan nog toegevoegd dat het RION geen beleidsvoerend orgaan mag zijn. Het moet adviseren en onderzoek doen. In het RION-onderzoek zitten rechtmatigheids-beslissingen, die niet thuishoren bij een adviesorgaan. Voorts heeft eisers gemachtigde ter zitting nogmaals benadrukt dat eisers echtgenote in staat en bereid is de noodzakelijke hulp te geven. Zij geeft deze hulp vrijwillig en heeft het een aantal jaren volgehouden. Dat in gemachtigdes brief van 13 december 1999 in de zaak 00/965 AWBZ staat dat de nodige verpleging stellig niet (uitsluitend) kan worden gegeven door de in het indicatiebesluit genoemde mantelzorg is volgens hem ongelukkig geformuleerd.
In dit geding moet de rechtbank beoordelen of verweerder bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met enig wettelijk voorschrift, enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt als volgt.
In het onderstaande wordt uitgegaan van de wettelijke bepalingen, zoals deze luidden ten tijde in geding.
In art. 9a lid 1 AWBZ is bepaald dat Burgemeester en wethouders erin voorzien dat ten behoeve van de inwoners van hun gemeente er in hun gemeente een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos beoordeelt of een inwoner in aanmerking komt voor een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg. In art. 9b lid AWBZ is voorts bepaald dat verzekerden hun aanspraken op vormen van zorg, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, eerst tot gelding kunnen brengen, indien zij een advies hebben overgelegd van het in dat artikel bedoelde orgaan, waaruit blijkt dat zij op die zorg zijn aangewezen.
In art. 6 aanhef Pro en onder f van het Zorgindicatiebesluit is bepaald dat, voor zover dit voor het nemen van een indicatiebesluit van belang is, onderzoek wordt verricht naar de aard en de omvang van de aan de zorgvrager geboden professionele en niet-professionele hulp en zorg en de mogelijkheden tot continuering en uitbreiding daarvan.
In art. 5 lid 2 van Pro de Regeling van de voormalige Ziekenfondsraad van 17 december 1998, zoals deze heeft geluid tot 1 januari 2001 (hierna ook: de Regeling), is (voor zover hier van belang) bepaald dat voor toekenning van een persoonsgebonden budget uitsluitend in aanmerking komt de verzekerde ten aanzien van wie een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is afgegeven, waaruit volgt dat de verzekerde voorzienbaar langer dan drie maanden is aangewezen op hulp in de vorm van verpleging of verzorging in de thuissituatie.
Voor zover er, zoals ter zitting namens eiser is aangegeven, nog onduidelijkheid bestaat over de toepasselijke wettelijke regelingen, is de rechtbank van oordeel dat de Regeling van 17 december 1998 moet worden toegepast bij het beoordelen van de aanvraag van eiser. Immers, het PGB is een subsidie die per jaar wordt toegekend en de aanvraag dateert van 21 januari 1999. De rechtbank voegt daar overigens aan toe dat de inhoud van art. 5 van Pro de Regeling per 1 januari 2001 (voor zover hier van belang) geheel ongewijzigd is overgenomen in art. 2.5.1.7 lid 2 van de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet.
Zoals namens verweerder ter zitting is bevestigd, bestaat er geen enkele twijfel, dat eiser voorzienbaar langer dan drie maanden is aangewezen op hulp in de vorm van verpleging of verzorging in de thuissituatie als bedoeld in art. 5 lid 2 van Pro de Regeling. Dit blijkt ook voldoende uit het bij het indicatiebesluit van 11 november 1999 horende onderzoeksformulier.
In zo'n situatie -en dus ook in het geval van eiser- dient vervolgens, voor zover dit voor het nemen van het indicatiebesluit van belang is, een onderzoek te worden gedaan naar de aard en de omvang van de niet-professionele hulp die hij ontvangt. Dit schrijft art. 6 aanhef Pro en onder f van het Zorgindicatiebesluit voor.
Het RION heeft bij het nemen van indicatiebesluiten als uitgangspunt genomen de "Algemeen Aanvaarde Standaard Gezinsverzorging" van mei 1996, inhoudende opvattingen en normen over de inzet van gezinsverzorging en ontwikkeld door het Verwey-Jonker Instituut in Utrecht (hierna: de AASV). In de AASV is (voor zover hier van belang) aangegeven dat het huishouden altijd primair verantwoordelijk blijft voor het eigen functioneren. Het verrichten van huishoudelijk verzorgende werkzaamheden door leden van het huishouden heeft volgens de AASV een verplichtend karakter. Van overname van taken door externe hulpverlening (al dan niet professioneel) is pas sprake wanneer de draagkracht zodanig is, dat overbelasting dreigt. Verder is in de AASV vermeld dat de eventuele overige volwassen leden van het huishouden zorgdragen voor de lichamelijke verzorging van de "uitvaller". Indien ‚‚n van hen echter daarmee moeite heeft, wordt de lichamelijke verzorging door de externe hulpverlener overgenomen.
De rechtbank ziet niet in waarom het RION, na een feitelijk onderzoek, niet een inhoudelijk standpunt mag innemen ten aanzien van de advisering aan verweerder over een indicatiebesluit en daarbij bepaalde uitgangspunten in acht mag nemen. Het is vervolgens, gelet op art. 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aan verweerder om zich ervan te vergewissen dat het RION een deugdelijk advies heeft uitgebracht op grond waarvan hij vervolgens zelf een besluit kan nemen over het al dan niet toekennen van een PGB.
De rechtbank is verder van oordeel dat de in de AASV neergelegde uitgangspunten niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar zijn. Uit de AASV vloeit zeker niet, zoals namens eiser wordt gesteld, voort dat er nooit een PGB zou kunnen worden toegekend als er sprake is van mantelzorg. Voldoende duidelijk is immers dat de AASV rekening houdt met "afdwingbare" mantelzorg door gezinsleden en met "niet afdwingbare" mantelzorg door anderen. Voorts blijkt dat op grond van de AASV-normen wel degelijk een PGB zou kunnen worden toegekend, als blijkt dat de "interne" mantelzorg de situatie niet of onvoldoende aankan.
De resultaten van het RION-onderzoek zijn neergelegd in het bij het indicatiebesluit van 11 november 1999 behorende formulier. De rechtbank acht deze rapportage tamelijk summier waar het gaat om de aard en vorm van de benodigde verzorging, maar laat in haar oordeel meewegen dat uit de gedingstukken duidelijk naar voren komt dat eisers echtgenote in feite in het geheel geen hulp "van buiten" wil. E‚n en andermaal is benadrukt dat zij de hulp aan haar man al jaren verleent, dat zij dit aankan, zonder de dreiging van overbelasting, en dat zij die hulp ook volledig zelf wil blijven verlenen, zij het met behulp van een PGB. De rechtbank heeft veel respect voor de inspanningen die zij zich ten behoeve van haar man getroost. De conclusie moet echter ook zijn dat in eisers situatie de mantelzorg, zoals ook het RION heeft geconstateerd, geen uitval of tekorten heeft om hulp te verlenen. Terecht en op goede gronden en zonder in strijd te komen met het bepaalde in art. 3:9 Awb Pro heeft verweerder dan ook het advies van het RION gevolgd en de aanvraag van eiser afgewezen.
Het beroep van eiser zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslissing
De rechtbank:
* verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2002, in tegenwoordigheid van G. Timmermans als griffier.
G. Timmermans P.G. Wijtsma
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto Pro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht.
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: 15 februari 2002