ECLI:NL:RBLEE:2002:AE0611

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
22 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/635 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:13 AwbArt. 6:20 lid 4 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:70 Awb
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen fictieve weigering beslissing bezwaarschrift ambtenaar

Eiser ontving op 15 november 2000 een aanwijzing van zijn leidinggevende, waarbij hem werd opgedragen stukken met zijn mening over de organisatie of personen niet te versturen zonder voorafgaande goedkeuring. Eiser diende hiertegen op 13 december 2000 een bezwaarschrift in. Omdat verweerder niet tijdig op het bezwaarschrift besliste, stelde eiser op 12 juli 2001 beroep in tegen deze fictieve weigering (besluit A).

Op 19 juli 2001 nam verweerder alsnog een besluit (besluit B) waarin het bezwaarschrift gegrond werd verklaard en de aanwijzing werd ingetrokken. De rechtbank oordeelt dat dit besluit tegemoetkomt aan het bezwaar van eiser, waardoor het beroep tegen de fictieve weigering niet-ontvankelijk is. De rechtbank kan geen inhoudelijk oordeel geven over het arbeidsconflict of het oorspronkelijke besluit, omdat dat niet ter beoordeling ligt.

Daarnaast is geen sprake van schade door de niet-tijdige beslissing, zodat het procesbelang ontbreekt. Verweerder wordt veroordeeld het door eiser betaalde griffierecht terug te betalen. De rechtbank ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de fictieve weigering wordt niet-ontvankelijk verklaard en het griffierecht wordt terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 01/635 AW
Inzake het geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Korpsbeheerder politie Friesland, zetelend te Leeuwarden, verweerder,
gemachtigde: mr. A.C.C. Balke, werkzaam bij CAPRA te Zwolle.
Procesverloop
Bij brief van 15 november 2000 heeft eisers leidinggevende hem mededeling gedaan van een besluit, waarbij hij eiser een aanwijzing heeft gegeven. Tegen dit besluit heeft eiser op 13 december 2000 een bezwaarschrift ingediend.
Op 12 juli 2001 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de weigering van verweerder om tijdig op het bezwaarschrift te beslissen (besluit A). Bij besluit van 19 juli 2001 heeft verweerder alsnog op het bezwaarschrift van eiser beslist (verder te noemen besluit B) en het bezwaarschrift gegrond verklaard. Dit besluit is door verweerder bij brief van 20 augustus 2001 in het geding gebracht.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 19 maart 2002. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Motivering
In art. 6:2 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) is -voor zover hier van belang- bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit gelijk wordt gesteld met een besluit. Uit art. 6:20 lid 4 Awb Pro vloeit verder voort dat het beroep tegen de weigering om tijdig op het bezwaarschrift te beslissen geacht wordt mede gericht te zijn tegen de beslissing op het bezwaarschrift, die na het instellen van het beroep alsnog is genomen. Dit is slechts anders indien met de beslissing op het bezwaarschrift geheel tegemoet gekomen is aan het bezwaar of beroep van eiser.
Verweerder heeft zoals hiervoor reeds vermeld bij besluit B het bezwaarschrift van eiser gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met die beslissing aan eisers bezwaar tegemoet gekomen. Zij overweegt daartoe als volgt. Het besluit van 15 november 2000 houdt niet meer en niet minder in dan dat eiser van zijn leidinggevende een aanwijzing krijgt, inhoudende dat stukken waarin eiser een mening geeft over het functioneren van de organisatie en/of personen, niet door hem (eiser) worden verstuurd voordat zijn leidinggevende deze heeft geaccordeerd. Deze aanwijzing acht de rechtbank een Awb-besluit, omdat het rechtsgevolgen heeft voor eiser. Voor het overige bevat dit besluit mededelingen en stellingnames van eisers leidinggevende, die niet als besluiten in de zin van de Awb kunnen worden beschouwd, omdat zij voor eiser geen rechtsgevolg hebben in de zin van die wet.
Hoewel voorts besluit B ongelukkig is geformuleerd en geen rechtsmiddelenvoorlichting bevat, kan dit besluit niet anders worden opgevat dan uitsluitend strekkende tot intrekking van de bij besluit van 15 november 2000 gegeven aanwijzing. Immers, ook voor besluit B geldt dat het voor het overige slechts mededelingen en stellingnames van verweerder bevat, die niet zijn op te vatten als besluiten in de zin van de Awb. Niet kan worden gezegd dat zij rechtsgevolgen voor eiser hebben. Ten slotte wijst de rechtbank erop dat namens verweerder in het verweerschrift en ter zitting uitdrukkelijk is aangegeven dat de aanwijzing zoals die bij besluit van 15 november 2000 gegeven is, niet meer van kracht is.
Bij besluit B is daarom naar het oordeel van de rechtbank tegemoet gekomen aan eisers bezwaar tegen de aanwijzing van zijn leidinggevende. Het beroep tegen besluit A kan daarom niet onder toepassing van art. 6:20 lid 4 Awb Pro mede gericht worden geacht tegen besluit B. Dat betekent voorts, dat er in deze procedure geen plaats is voor een inhoudelijke beoordeling van het inmiddels ingetrokken besluit van 15 november 2000, zoals eiser die van de rechtbank verlangt. De rechtbank kan al helemaal geen oordeel geven over het arbeidsconflict tussen eiser en verweerder, nu in de onderhavige beroepsprocedure geen uit dat conflict voortvloeiend (rechtspositioneel) besluit aan haar ter beoordeling voorligt.
Ten slotte is de rechtbank, daargelaten of in het onderhavige geval sprake is van een situatie als bedoeld in art. 6:2 Awb Pro, van oordeel dat nu verweerder alsnog op het bezwaarschrift heeft beslist, eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van besluit A (de fictieve weigering van verweerder om te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2000). Dit is slechts anders indien aannemelijk zou zijn geworden dat eiser als gevolg van het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift schade heeft geleden. Van een dergelijke situatie is de rechtbank echter niet gebleken. Het beroep tegen besluit A zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 Awb Pro dient verweerder het door eiser gestorte griffierecht ad €euro 102,10 te vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslissing
De rechtbank:
* verklaart het beroep tegen besluit A niet-ontvankelijk;
* bepaalt dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ad €euro 102,10 aan hem terugbetaalt.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op
22 maart 2002, in tegenwoordigheid van P.R.M. Poiesz als griffier.
P.R.M. Poiesz P.G. Wijtsma
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto Pro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht.
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: 22 maart 2002