ECLI:NL:RBLEE:2002:AF1565

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
26 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/621 WOW44
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 1 WROArt. 44 WoningwetArt. 46 lid 1 WoningwetArt. 46 lid 3 WoningwetArt. 49 lid 5 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bouwvergunning voor windturbines wegens strijd met bestemmingsplan

Eiseres heeft een bouwvergunning aangevraagd voor acht windturbines op een voormalige vuilstortlocatie. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân, heeft de vergunning geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan "Buitengebied voormalige gemeente Doniawerstal" dat de locatie bestempelt als agrarisch gebied.

De gemeenteraad heeft geweigerd om vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19 lid 1 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), waardoor het college verplicht was de bouwvergunning te weigeren. De rechtbank benadrukt dat de weigering van de gemeenteraad om vrijstelling te verlenen niet deel uitmaakt van de beschikking die ter beoordeling ligt in deze beroepsprocedure.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is omdat de weigering van de bouwvergunning terecht is gebaseerd op strijd met het bestemmingsplan en de weigering van vrijstelling door de gemeenteraad niet ter beoordeling staat. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de bouwvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 02/621 WOW44
Inzake het geding tussen
GEP Windturbine BV, gevestigd te Helmond, eiseres,
gemachtigde: J.M. Jansma,
en
het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân, verweerder,
gemachtigde: G.J. Hooites, ambtenaar in dienst van de gemeente Skarsterlân.
Procesverloop
Bij brief van 6 mei 2002 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar van 12 april 2002 betreffende de toepassing van de Woningwet.
Tegen dit besluit is namens eiseres op 24 mei 2002 beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 29 oktober 2002. Partijen hebben zich aldaar doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigden.
Motivering
Op 1 augustus 2001 heeft eiseres een bouwvergunning aangevraagd voor de oprichting van 8 windturbines op de locatie van de voormalige vuilstort te Ouwsterhaule, kadastraal gemeente Langweer, sectie B, nrs. 4352, 3150, 4102, 4359 en 4358.
Bij besluit van 5 december 2001 (verzonden op 11 december 2001) heeft verweerder de bouwvergunning geweigerd wegens strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied voormalige gemeente Doniawerstal", op grond waarvan op de bouwlocatie de bestemming "Agrarisch gebied C" rust.
Tegen dit besluit heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard en is het primaire besluit van 5 december 2001 gehandhaafd.
De rechtbank overweegt als volgt.
In art. 44 Woningwet Pro is bepaald dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het bouwbesluit, of indien het bouwplan naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.
Ingevolge art. 46 lid 1 Woningwet Pro beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen. Deze bepaling is echter niet van toepassing indien -zo is bepaald in art. 46 lid 3 Woningwet Pro- de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na de verlening van een dergelijke vrijstelling, wordt mede geacht een verzoek tot verlening van zodanige vrijstelling in te houden.
Niet in geschil is dat het bouwplan voor het oprichten van 8 windturbines op de locatie van de voormalige vuilstort te Ouwsterhaule in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Verweerder heeft dan ook, uitvoering gevend aan art. 46 lid 3 Woningwet Pro, de bouwaanvraag ter kennis gebracht van de gemeenteraad. De raad heeft bij besluit van 28 november 2001 geweigerd om toepassing te geven aan art. 19 lid 1 WRO Pro. Nu de strijd met het bestemmingsplan niet is opgeheven door het verlenen door de gemeenteraad van vrijstelling daarvan, diende verweerder de bouwvergunning te weigeren.
De rechtbank voegt hier nog aan toe, dat ter zitting is gebleken dat zowel verweerder als eiseres in de veronderstelling verkeerden dat de weigering van de gemeenteraad om toepassing te geven aan art. 19 lid 1 WRO Pro in deze procedure mede ter beoordeling voorligt. Deze veronderstelling berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van art. 49 lid 5 Woningwet Pro. In die bepaling is immers geregeld dat slechts de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep geacht wordt deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft, dus niet de weigering daarvan zoals in het onderhavige geval. De parlementaire geschiedenis van art. 49 lid 5 Woningwet Pro biedt geen aanknopingspunt voor een ruimere interpretatie.
De onderhavige beroepsprocedure is derhalve beperkt tot de beoordeling van de beslissing op bezwaar van burgemeester en wethouders van Skarsterlân van 12 april 2002 inzake de weigering een bouwvergunning te verlenen. Voor zover eiseres van mening is dat haar bezwaarschrift mede gericht geacht is tegen de beslissing van de raad van 28 november 2001 inzake de weigering van vrijstelling ex art. 19 lid 1 WRO Pro, zal zij zich tot dit bestuursorgaan moeten wenden
Op grond van bovenstaande overwegingen komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in het openbaar uitgesproken op 26 november 2002, in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.
w.g. F.P. Dillingh
w.g. P.G. Wijtsma
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto Pro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Postbus 20019
2500 EA Den Haag
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: 26 november 2002