ECLI:NL:RBLEE:2004:AP9394

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
64448
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 lid 5 Wet BOPZArt. 39 lid 1 Wet BOPZArt. 41 lid 1 Wet BOPZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gedwongen verblijf en dwangmedicatie onder Wet BOPZ

Verzoekster werd op 10 april 2004 opgenomen in een gesloten afdeling van een GGZ-instelling na verward gedrag. Zij werd direct in de separeerruimte geplaatst. Vanaf 27 april 2004 werd dit verblijf als dwangbehandeling aangemerkt, hoewel er toen nog geen behandelplan was dat separatie voorzag. Pas op 12 mei 2004 werd een behandelplan opgesteld dat separatie en dwangmedicatie omvatte.

De rechtbank constateerde dat het verblijf in de separeer tussen 27 april en 12 mei 2004 onrechtmatig was omdat er geen behandelplan was en er geen voortdurende noodsituatie was die separatie rechtvaardigde. Dit was een schending van de rechten van verzoekster. Vanaf 12 mei 2004 was de separatie en dwangmedicatie echter gerechtvaardigd en proportioneel om gevaar voor medepatiënten en personeel af te wenden.

Verzoekster had een klacht ingediend tegen het verblijf in de separeer en de dwangmedicatie, alsmede een verzoek tot schorsing van de separatie. De klachtencommissie wees deze af. De rechtbank verklaarde verzoekster niet ontvankelijk in het deel over de schorsing, maar verklaarde de klacht gegrond voor de periode 30 april tot 12 mei 2004 en ongegrond voor het overige.

De rechtbank benadrukte het belang van een tijdig behandelplan en de zorgvuldigheid bij toepassing van dwangmaatregelen binnen de kaders van de Wet BOPZ. De combinatie van separatie en dwangmedicatie werd als een ernstige maar gerechtvaardigde inbreuk op de integriteit van verzoekster beoordeeld.

Uitkomst: De klacht van verzoekster is gegrond voor het verblijf in de separeer tussen 30 april en 12 mei 2004, maar ongegrond voor het overige.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
sector civiel recht
afdeling familierecht
Uitspraak: 1 juli 2004
Rekestnummer:04-889
Zaaknummer: 64448
BOPZ art. 41
BESCHIKKING
van de rechtbank te Leeuwarden, meervoudige familiekamer, in de zaak van:
[verzoekster]
wonende te Heerenveen,
hierna ook te noemen de verzoekster,
gemachtigde: mr. J. van den Bosch-Scholts
tegen
1[verweerder 1]
statutair gevestigd te Leeuwarden,
hierna ook te noemen de GGZ,
en
2. [verweerder 2]
werkzaam bij de GGZ te Heerenveen,
gedaagden,
gemachtigde mr. J.G. Besling.
PROCESGANG
Bij de rechtbank is op 8 juni 2004 een verzoek ex artikel 41 BOPZ Pro binnengekomen.
Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van de meervoudige familiekamer van 21 juni 2004.
RECHTSOVERWEGINGEN
Gelet op de inhoud van het dossier en op hetgeen ter terechtzitting is behandeld overweegt de rechtbank het volgende.
1. De vaststaande feiten
1.1. Bij beschikking van 3 februari 2004 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoekster een voorwaardelijke machtiging tot voortgezet verblijf verleend.
1.2. Nadat verzoekster in de nacht van 9 op 10 april 2004 door de politie te Ede in verband met verward gedrag was overgebracht naar het politiebureau aldaar is zij door een GGZ-psychiater beoordeeld, hetgeen ertoe heeft geleid dat verzoekster op 10 april werd opgenomen op de gesloten afdeling van de kliniek van GGZ Acute Zorg te Heerenveen. Hiermee kwam het voorwaardelijke karakter van de machtiging te vervallen.
1.3. Verzoekster is meteen na opname in de separeerruimte geplaatst. Vanaf (ongeveer) 27 april 2004 is deze plaatsing door dr. Eeltink als een behandeling met toepassing van artikel 38 lid 5 Wet Pro BOPZ aangemerkt.
1.4. Op 27 april 2004 is een behandelplan van verzoekster opgesteld; daarmee is verzoekster niet akkoord gegaan. Het behandelplan houdt niets in met betrekking tot het toepassen van dwang in de behandeling.
1.5. Op 12 mei 2004 is een volgend behandelplan van verzoekster opgesteld; daarmee is verzoekster niet akkoord gegaan. Het behandelplan houdt onder meer het volgende in:
"Werkwijze:
Wij gaan u behandelen met Cisordinol in depotvorm te beginnen met 300 mg per twee weken, welke op geleide van het beeld en uit ervaring van vorige opname wellicht dient te worden opgehoogd naar 500 mg per twee weken. Bovendien verblijft u op wisselende tijdstippen in de separeer, waarbij u op geleide van uw beeld en de veiligheid in het huiskamertje van de separeer kunt verblijven en momenten in de tuin waarbij contact met medepatiënten wordt vermeden. Zodra het psychiatrisch toestandsbeeld in remissie is zullen uw vrijheden worden uitgebreid en kan het aantal injecties mogelijk worden teruggebracht naar eens in de drie à vier weken, waarbij dan de dosering op geleide van hoe het met u gaat wordt aangepast (...)"
1.6. Vanaf 19 mei 2004 is verzoekster Cisordinol depot toegediend, gerekend tot en met 16 juni 2004 vier maal.
1.7. Verzoekster heeft op 5 mei 2004 een klacht op grond van artikel 41 lid 1 Wet Pro BOPZ ingediend bij de klachtencommissie van GGZ-Friesland tegen het verblijf in de separeer, en tegelijk een verzoek gedaan tot schorsing van dat verblijf. Op 17 mei 2004 heeft de klachtencommissie het schorsingsverzoek afgewezen. De klacht ten gronde is door de klachtencommissie op 8 juni 2004 behandeld. Bij brief van 27 mei 2004 had verzoekster die klacht uitgebreid met een klacht tegen haar behandeling met dwangmedicatie. Telefonisch of mondeling is door de klachtencommissie meegedeeld dat de klacht in beide onderdelen is afgewezen.
2. Overwegingen van de rechtbank
2.1. Verzoekster heeft verzocht te bepalen dat
a. de klachtencommissie ten onrechte heeft geweigerd de plaatsing van verzoekster in de separeercel te schorsen;
b. de klacht van verzoekster tegen plaatsing in de separeerafdeling gegrond is;
c. de klacht van verzoekster tegen toepassen van dwangbehandeling, te weten dwangmedicatie, gegrond is.
2.2. De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken, zoals de verpleegkundige rapportage, de conclusie kan worden getrokken dat verzoekster aanvankelijk na haar opname op 10 april 2004 op vrijwillige basis in de separeerruimte heeft verbleven. In elk geval formeel is aan deze vrijwilligheid eerst per 27 april 2004 een eind gekomen.
2.3. Een onvrijwillig verblijf in de separeerruimte kan en kon - nu er geen sprake is en was van een behandelplan waarmee verzoekster had ingestemd - alleen toelaatbaar zijn wanneer dit:
* ofwel - aldus artikel 38 lid 5 Wet Pro BOPZ - volstrekt noodzakelijk is om gevaar voor betrokkene of anderen af te wenden, en dan alleen wanneer de toepassing van het als dwangbehandeling aangewende middel is voorzien in het niet geaccordeerde behandelplan;
* ofwel - aldus artikel 39 lid 1 Wet Pro BOPZ - plaatsvindt ter overbrugging van tijdelijke noodsituaties die door betrokkene in het ziekenhuis worden veroorzaakt.
2.4. De rechtbank stelt vast dat in verblijf in de separeerruimte niet herkenbaar is voorzien in het behandelplan van 27 april 2004. Niettemin heeft dr. Eeltink gesteld dat de separatie vanaf die datum is toegepast in het kader van artikel 38 lid 5 Wet Pro BOPZ. Dit kan dus niet juist zijn; tot aan 12 mei 2004 (de datum waarop een behandelplan tot stand kwam dat wel in separatie voorziet) moet de separatie het karakter van een middel of maatregel in de zin van artikel 39 lid 1 Wet Pro BOPZ gehad hebben. Weliswaar zijn de waarborgen ten aanzien van dwangbehandeling in het kader van artikel 38 lid 5 Wet Pro BOPZ ruimer dan wanneer dezelfde maatregel wordt toegepast in het kader van artikel 39 lid 1 Wet Pro BOPZ (er dient niet slechts een melding aan de inspecteur plaats te vinden, maar deze beoordeelt ook achteraf de zorgvuldigheid van de beslissing tot en uitvoering van de dwangbehandeling), de rechtbank acht verzoekster wel in haar rechten geschaad door deze fout omdat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet kan worden afgeleid dat er gedurende de periode van 27 april tot 12 mei 2004 voortdurend sprake is geweest van een noodsituatie in het ziekenhuis die door de separatie moest worden overbrugd. Deze periode heeft onnodig lang heeft geduurd; er had eerder, zo spoedig mogelijk na 27 april 2004, een behandelplan moeten worden opgesteld dat in separatie voorzag. Dat had naar het oordeel van de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid binnen drie dagen na 27 april 2004 het geval kunnen zijn. De rechtbank acht verzoeksters klacht in zoverre dan ook gegrond.
2.5. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen en uit de verpleegkundige rapportages blijkt kan en mag worden afgeleid dat plaatsing van verzoekster in de separeerruimte - waarvan in die zin een genuanceerd gebruik is gemaakt dat zij niet alleen in de separeercel verbleef maar zo mogelijk ook wel in de bijbehorende huiskamerruimte en in de tuin - een volstrekt noodzakelijke maatregel was om gevaar voor medepatiënten en personeel af te wenden. Haar agitatie en - naar de rechtbank zelf ervaren heeft - scherpe en zeer dominante wijze van praten konden redelijkerwijs niet zonder deze maatregel hanteerbaar gehouden worden, wilde voorkomen worden dat medepatiënten - van wie niet veel inlevings- en aanpassingsvermogen mag worden gevergd - daardoor tot agressie jegens verzoekster zouden overgaan. Een omgeving die zo weinig mogelijk prikkels veroorzaakt was voor verzoekster aangewezen.
2.6. Het bovenstaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de wijze waarop separatie vanaf 12 mei 2004 tegen de wil van verzoekster is toegepast de toets aan artikel 38 lid 5 Wet Pro BOPZ kan doorstaan en dat aan de eisen van subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid is voldaan. Dit klemt temeer nu blijkens hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen toepassing van alleen separatie niet voldoende bleek te zijn om het verplegend personeel te vrijwaren van daadwerkelijke beschadiging door verzoekster.
2.7. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat ook toepassing van dwangmedicatie toelaatbaar was, nu separatie kennelijk niet volstond om het gevaar voor het verplegend personeel af te wenden, hoewel de rechtbank erkent dat de combinatie van separatie en dwangmedicatie een ernstige inbreuk maakt op de integriteit van verzoekster. Deze inbreuk acht de rechtbank echter gerechtvaardigd door het belang dat medepatiënten hebben bij een voor hen profijtelijk verblijf in het ziekenhuis dat niet door ongewenst optreden van verzoekster wordt verstoord, door het belang van het verplegend personeel om hun werk te kunnen doen zonder onnodig, vermijdbaar gevaar te lopen, en door het belang van verzoekster zelf om niet het gevaar te lopen slachtoffer te worden van door haar eigen gedrag opgewekte agressie.
2.8. Bij behandeling van haar klacht, dat de klachtencommissie haar verzoek om schorsing heeft afgewezen, heeft verzoekster naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandig belang. Aan de rechtbank kan slechts worden verzocht de klacht zelf (opnieuw) te beoordelen. Daarbij is geen sprake van hoger beroep tegen de uitspraak van de klachtencommissie maar van een zelfstandige nieuwe beoordeling van de klacht. Het oordeel van de klachtencommissie speelt dan ook geen rol in de klachtprocedure bij de rechtbank, anders dan voor de beoordeling van de ontvankelijkheid, zodat daarover niet geklaagd kan worden. Daarnaast - ten overvloede - brengt de beoordeling van de klacht ten gronde reeds mee dat de klacht al dan niet, en zo ja in welke mate, gegrond is, zodat uit die beoordeling reeds kan worden afgeleid of de beslissing waartegen de klacht is gericht geschorst had behoren te worden. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank verzoekster dan ook in dit onderdeel van de klacht niet ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
De rechtbank:
verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar klacht voor zover die betreft de weigering door de klachtencommissie om de beslissing tot separatie te schorsen;
verklaart de klacht van verzoekster gegrond voor zover die betrekking heeft op het plaatsen in de separeerafdeling en het toepassen van dwangmedicatie over de periode 30 april tot 12 mei 2004;
verklaart de klacht van verzoekster ongegrond voor het overige.
Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter van de kamer, J.E. Biesma en P.W.Th. Buijtenhuijs, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op donderdag 1 juli 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.
(fn 107)