ECLI:NL:RBLEE:2004:AS2007
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verdeling melkquotum en maatschapsvermogen tussen maten na beëindiging samenwerking
Partijen exploiteerden sinds 1978 gezamenlijk een veehouderij in maatschapsverband. In 1984 werd een melkquotum toegekend dat in 1997 werd verkocht voor fl. 907.768,87. Na beëindiging van de samenwerking in 1998 ontstond onenigheid over de verdeling van de opbrengst van het melkquotum, de jaarwinst en het maatschapsvermogen.
[a] stelde dat de opbrengst van het melkquotum als stakingswinst gelijkelijk verdeeld moest worden, terwijl [b] betoogde dat het melkquotum niet tot het maatschapsvermogen behoorde maar aan de individuele maten toekwam naar rato van hun grondinbreng. Tevens was er discussie over de vaststelling van de jaarrekeningen en de verdeling van het maatschapsvermogen, waaronder een onderbedelingsvordering.
De kantonrechter oordeelde dat het melkquotum niet tot het maatschapsvermogen behoorde en dat de opbrengst verdeeld moest worden volgens een (pseudo)pachtovereenkomst, waarbij de maatschap als pachter fungeerde en de maten als verpachters. De jaarrekening over 1997/1998 werd definitief vastgesteld en de onderbedelingsvordering van [b] op [a] werd vastgesteld op € 309.557,63, vermeerderd met rente. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: Verdeling melkquotum en maatschapsvermogen vastgesteld met onderbedelingsvordering van €309.557,63 en definitieve vaststelling jaarrekening 1997/1998.