ECLI:NL:RBLEE:2005:AS8232

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
68740/KG ZA 05-44
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 1 WRO
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing ontruiming woonwagenstandplaats wegens bestuursdwang

Eiser woont al meer dan tien jaar met caravans op een locatie met agrarische bestemming en is door bestuursdwangbesluit van 9 februari 2001 verplicht gesteld deze te verwijderen. Dit besluit is onherroepelijk en reeds in mei 2001 geëffectueerd. Eiser mocht tijdelijk standplaats houden op basis van een voorlopige voorziening die later door de Raad van State werd vernietigd.

Eiser heeft een stuk grond gekocht nabij zijn voormalige standplaats en houdt daar nu zijn caravans, maar dit is nog steeds in strijd met het bestemmingsplan. Hij verzocht de rechter om de gemeente te verbieden de ontruiming uit te voeren totdat zijn verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan is afgerond.

De rechter oordeelt dat het bestuursdwangbesluit nog steeds geëffectueerd kan worden en dat de eigendom van de grond niet relevant is zolang het bestemmingsplan wordt overtreden. De vordering wordt afgewezen omdat het niet aannemelijk is dat de vrijstelling zal worden verleend en het belang van de gemeente bij handhaving zwaarder weegt dan het belang van eiser. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden
Sector civiel recht
afdeling handelsrecht
Korte Gedingen
Uitspraak: 24 februari 2005
Kort-geding-nummer: 68740/KG ZA 05-44
VONNIS
van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:
[A],
wonende te [B],
eiser,
hierna: [A],
procureur: mr. V.M.J. Both,
advocaat: mr. Jaasma te Amsterdam,
tegen
de publieke rechtspersoon
DE GEMEENTE BOLSWARD,
zetelend te Bolsward,
gedaagde,
hierna: de gemeente,
procureur: mr. R.C.M. Kamsma.
PROCESGANG
[A] heeft de gemeente in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 23 februari 2005.
[A] heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de rechter bij vonnis - zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de gemeente verbiedt de standplaats groot ongeveer 250 vierkante meter, kadastraal bekend [B] sectie E-35 welke eiser in eigendom toebehoort, te ontruimen totdat er een onherroepelijk besluit is genomen in de vrijstellingsprocedure op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening, met veroordeling van de gemeente in de kosten van dit geding, inclusief de procureurskosten.
Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaat resp. procureur, die beiden mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd. De gemeente heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [A], met veroordeling van [A] in de kosten van het kort geding.
Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.
Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. Op 24 februari 2005 is de beslissing van de rechter reeds telefonisch aan partijen bekend gemaakt. Dit schriftelijke vonnis wordt op 25 februari 2005 aan partijen toegezonden.
RECHTSOVERWEGINGEN
Vaststaande feiten
In dit kort geding gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.
1.1 [A] woont al meer dan 10 jaar in één of twee caravans aan/nabij de [straatnaam 1] te [B].
1.2 Bij besluit van 9 februari 2001 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: B&W) [A], onder aanzegging van bestuursdwang, gelast om de twee caravans aan de [straatnaam 1] vóór 1 mei 2001 te verwijderen en verwijderd te houden (hierna: het bestuursdwangbesluit). Bij uitspraak van 13 maart 2002 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit bestuursdwangbesluit onherroepelijk geworden. Het bestuursdwangbesluit is gebaseerd op de overtreding van het bestemmingsplan "Buitengebied", waarbij aan de lokatie de bestemming 'agrarisch gebied' is gegeven.
1.3 Het bestuursdwangbesluit van 9 februari 2001 is in mei 2001 geëffectueerd. De caravans van [A] zijn toen weggesleept.
1.4 Bij uitspraak van 15 maart 2004 heeft de rechter in de rechtbank Leeuwarden, sector bestuursrecht, als voorlopige voorziening [A] toegestaan om met twee caravans standplaats te houden op de lokatie nabij de [straatnaam 1]. Deze uitspraak is op 8 december 2004 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd.
1.5 Op 6 september 2004 heeft [A] een stukje grond aan de [straatnaam 2] te [B] gekocht waarop hij thans standplaats houdt met zijn caravans. Dit stukje grond ligt pal achter zijn voormalige standplaats en heeft ook de bestemming 'agrarische gebied'.
1.6 B&W hebben op 26 november 2004 een aanvraag om een bouwvergunning van [A] ontvangen. Omdat het bouwplan niet past binnen het bestemmingsplan "Buitengebied" is de aanvraag tevens beschouwd als een verzoek om vrijstelling ex artikel 19 lid 1 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
1.7 Bij brief van 26 januari 2005 hebben B&W de advocaat van [A] meegedeeld
dat de gemeenteraad in december 2000 heeft aangegeven niet bereid te zijn om een woonwagenstandplaats voor [A] te creëren omdat de locatie uit planologisch en uit volksgezondheidsoogpunt niet geschikt is als woonwagenlocatie. Hiermee heeft de raad volgens B&W aangegeven niet voornemens te zijn om mee te werken aan een vrijstelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" ex artikel 19 lid 1 WRO Pro ten behoeve van het realiseren van een woonwagenstandplaats.
1.8 De gemeente heeft aangekondigd dat zij op 25 februari 2005 om 9.00 uur zal overgaan
tot ontruiming van de standplaats op basis van het bestuursdwangbesluit van 9 februari 2001.
Het geschil en de beoordeling daarvan
2.1 Gelet op de aangekondigde uitvoering van het bestuursdwangbesluit op 25 februari a.s. is de zaak voldoende spoedeisend.
2.2 Tussen partijen is in geschil of de gemeente tot de feitelijke uitvoering van het bestuursdwangbesluit van 9 februari 2001 kan overgaan. Volgens [A] is dit niet het geval omdat in zijn visie het bestuursdwangbesluit niet voor een tweede keer geëffectueerd worden, hetgeen door de gemeente wordt betwist. [A] heeft hierbij aangevoerd dat er bovendien sprake is van een gewijzigde situatie omdat hij thans eigenaar is van de grond waarop hij de standplaats inneemt. Deze eigendomskwestie is in de visie van de gemeente niet relevant omdat het bestemmingsplan nog steeds wordt overtreden. Voorts heeft [A] een beroep gedaan op de procedure tot vrijstelling van het bestemmingsplan, waarvan door de gemeente is aangevoerd dat het verzoek van [A] tot vrijstelling hoogstwaarschijnlijk zal worden afgewezen.
2.3 Vaststaat dat het bestuursdwangbesluit van B&W van 9 februari 2001, waarbij [A] onder aanzegging van bestuursdwang is gelast de twee caravans aan de [straatnaam 1] voor 1 mei 2001 te verwijderen en verwijderd te houden, onherroepelijk is geworden. Dat de standplaats van [A] op basis van dit bestuursdwangbesluit in mei 2001 is ontruimd betekent naar het oordeel van de rechter niet dat dit bestuursdwangbesluit thans niet (meer) geëffectueerd kan worden. In het bestuursdwangbesluit staat immers vermeld dat [A] de caravans aan de [straatnaam 1] verwijderd dient te houden. Dat [A] in het kader van een voorlopige voorziening toch tijdelijk standplaats mocht houden aan de [straatnaam 1] doet hier naar het oordeel van de rechter niet aan af, nu die voorlopige voorziening thans geen geldigheid meer heeft.
Ook het feit dat [A] thans met zijn caravans standplaats inneemt op een stukje eigen grond aan/nabij de [straatnaam 1] betekent naar het oordeel van de rechter niet dat het bestuursdwangbesluit niet kan worden geëffectueerd. Er wordt nog steeds in strijd met het bestemmingsplan gehandeld omdat ook dit gedeelte van de [straatnaam 1] een agrarische bestemming heeft. Naar het oordeel van de rechter dient de vordering dan ook te worden toegewezen. Dit zou anders zijn indien voorshands aannemelijk zou zijn dat het verzoek van [A] om vrijstelling van het bestemmingplan ex artikel 19 lid 1 WRO Pro zou slagen. Dit is naar het oordeel van de rechter echter niet het geval. Door [A] is aangevoerd dat de gemeente voor het aanleggen van twee woonschepen in hetzelfde gebied wel vrijstelling heeft verleend zodat niet valt in te zien waarom zijn verzoek moet worden geweigerd. Namens de gemeente is ter zitting aangevoerd dat de situatie van een woonwagen planologisch een geheel andere is dan die van de woonschepen. Er kan in de visie van de gemeente daarom geen sprake zijn van precedentwerking. Voorts hebben B&W in een brief van 28 januari 2005 aan de advocaat van [A] aangegeven dat de gemeenteraad in december 2000 heeft aangegeven niet bereid te zijn om een woonwagenstandplaats voor [A] te realiseren en dus niet voornemens is om mee te werken aan een vrijstelling ex artikel 19 lid 1 WRO Pro.
De rechter acht de argumenten van de gemeente plausibel. Er is daarom geen reden om aannemelijk te achten dat de door [A] gevraagde vrijstelling zal worden verleend.
Door [A] is voorts gesteld dat ontruiming zal leiden tot een noodsituatie. Hij heeft aangevoerd geen tijdelijke woonruimte te hebben en dus feitelijk dakloos te worden. Dit belang van [A] weegt naar het oordeel van de rechter niet op tegen het belang dat de gemeente heeft bij handhaving van het bestuursdwangbesluit. [A] had immers al vanaf de dag waarop de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak waarbij de voorlopige voorziening ten gunste van hem is getroffen heeft vernietigd, dus vanaf 8 december 2004, rekening kunnen en moeten houden met uitvoering van het bestuursdwangbesluit. Bovendien is de feitelijke uitvoering van het bestuursdwangbesluit op 25 februari a.s. door de gemeente op 16 februari 2005 aan de advocaat van [A] aangekondigd. [A] heeft dus voldoende tijd gehad om tijdelijke vervangende woonruimte te regelen.
2.4 Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [A] zal worden afgewezen. [A] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.
BESLISSING
De rechter, rechtdoende in kort geding:
wijst de vordering af;
veroordeelt [A] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 244,- aan verschotten en € 816,- aan salaris procureur.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2005.