Art. 19 lid 1 WROArt. 19 lid 4 WROArt. 19a WROArt. 8:26 lid 1 AwbArt. 8:70 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrondverklaring beroep tegen vrijstelling en bouwvergunning voor overkapping en zeecontainer bij bandenhandel
Eisers, omwonenden van een perceel waar een bandenhandel gevestigd is, maakten bezwaar tegen een vrijstellingsbesluit en bouwvergunning voor een overkapping en het plaatsen van een zeecontainer en stacaravan. Het perceel valt onder een verouderd bestemmingsplan dat de bouw niet toestaat, maar het college verleende vrijstelling en bouwvergunning op basis van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
De rechtbank oordeelt dat het verouderde bestemmingsplan op zich geen belemmering vormt voor het verlenen van vrijstelling, mede omdat het terrein al decennia als bedrijfsterrein in gebruik is. Eisers voerden aan dat de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" niet werd toegepast en dat milieunormen niet werden nageleefd, maar de rechtbank stelt dat milieutoetsing primair via de Wet milieubeheer verloopt en dat een geldige milieuvergunning reeds was verleend.
De rechtbank concludeert dat het college de vrijstelling en bouwvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen, dat de motivering toereikend is en dat de gevreesde hinder niet aannemelijk is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van omwonenden tegen de vrijstelling en bouwvergunning wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 vanPro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 04/624 WRO
Inzake het geding tussen
[A] en [B], beiden wonende te [C], eisers,
gemachtigde: mr. A. Rombout, wonende te Vegelinsoord,
en
het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen, verweerder,
gemachtigde: B.J.H. Zuur, werkzaam bij verweerders gemeente.
Procesverloop
Bij brief van 20 april 2004 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
Tegen dit besluit hebben eisers op 1 juni 2004 beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 21 februari 2005. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. A. Rombout. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde. Namens [D], die op de voet van art. 8:26 lid 1 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan het geding heeft deelgenomen, heeft mr. A.J. Spoelstra het woord gevoerd.
Motivering
De rechtbank baseert zich bij haar oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.
[D] is vennoot van de vennootschap onder firma "[D]'s Bandenhandel V.O.F." (verder: [D]). Deze vennootschap exploiteert op het perceel plaatselijk bekend [straatnaam] 19 te [C] een bedrijf dat zich bezighoudt met het inzamelen en op- en overslaan van autobanden. [D] heeft zich in 1995 op dit perceel gevestigd. Het perceel is sinds 1973 in gebruik als bedrijfsterrein. Aanvankelijk was op het perceel een melkfabriek gevestigd en nadien een transportbedrijf.
Het perceel bevindt zich aan de rand van de bebouwde kom van [C]. De achterzijde grenst aan het buitengebied. De woningen van eisers zijn achter het bedrijf gesitueerd. De woning van [B] ([straatnaam] 19a) bevindt zich op een afstand van 60 meter van de perceelgrens en de woning van [B] ([straatnaam] 23a) op 10 meter.
[D] heeft op 3 april 2000 bij verweerder een bouwaanvraag ingediend voor de bouw van een overkapping alsmede voor het plaatsen van een zeecontainer en een stacaravan op het hiervoor bedoelde perceel. De stacaravan is bedoeld als kantine voor het personeel en als wachtruimte voor klanten. De overkapping zal gebruikt worden als bandenopslagplaats en is op een afstand van 3 meter uit de perceelgrens geprojecteerd. Het bouwplan -dat betrekking heeft op het achterste deel van het terrein- is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Op dit deel van het perceel rust op grond van het "Plan in hoofdzaak 1947" de bestemming "landelijke bebouwing". Op grond van de toepasselijke planvoorschriften is bebouwing ter plaatse niet toegestaan.
Verweerder -die op grond van een delegatiebesluit van 25 mei 2000 van de raad van de gemeente Achtkarspelen ter zake bevoegd is- heeft zich bereid getoond om aan de bouwaanvraag medewerking te verlenen als bedoeld in art. 19 lid 1 WROPro. Het verzoek om vrijstelling is vervolgens op de wijze als bedoeld in art. 19a WRO in procedure gebracht. Eisers hebben in dat kader hun zienswijze naar voren gebracht. Gedeputeerde staten van Fryslân (GS) hebben bij besluit van 22 januari 2003 een verklaring van geen bezwaar verleend.
Verweerder heeft bij besluit van 10 februari 2003 de gevraagde vrijstelling verleend onder de voorwaarde dat rond de overkapping beplanting wordt aangebracht. De bouwvergunning is bij besluit van 21 februari 2003 verleend. Eisers hebben zowel tegen het vrijstellingsbesluit als tegen de bouwvergunning een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft de bezwaarschriften voor advies in handen gesteld van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie. Deze commissie heeft geadviseerd om -conform het bepaalde in art. 49 lid 5 WoningwetPro- het bezwaarschrift tegen de bouwvergunning mede gericht te achten tegen de verleende vrijstelling. Voorts heeft zij geadviseerd om in verband met een aantal -niet nader genoemde- formele gebreken die aan het primaire besluit kleven het bezwaarschrift gegrond te verklaren en in heroverweging de vrijstelling en de bouwvergunning opnieuw te verlenen. Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit conform het advies van de commissie besloten. De in heroverweging opnieuw verleende vrijstelling zal hierna worden aangeduid als "het vrijstellingsbesluit".
Eisers hebben in beroep allereerst een aantal gronden van formele aard opgeworpen. Volgens eisers kleven aan het vrijstellingsbesluit de volgende gebreken:
? in de vrijstelling wordt verwezen naar de bij de vrijstelling behorende gewaarmerkte bescheiden. Deze waarmerken zijn evenwel niet of slechts summier aanwezig, zodat zij niet op adequate wijze onlosmakelijk deel uitmaken van de verleende vrijstelling;
? in het vrijstellingsbesluit wordt volstaan met een verwijzing naar een brief van 20 oktober 2001, waarbij de ingediende zienswijze ongegrond is verklaard. Eisers zijn onbekend met de inhoud van deze brief;
? de verleende vrijstelling bevat geen inhoudelijke onderbouwing van het besluit. Er wordt slechts verwezen naar de bijgevoegde ruimtelijke onderbouwing. Deze bijlage is niet van enige stempel of datum voorzien, met als gevolg dat onduidelijkheid kan ontstaan.
De rechtbank overweegt ten aanzien van deze gronden het volgende.
De rechtbank ziet niet in dat eisers door de enkele omstandigheid dat de bij de vrijstelling behorende bescheiden niet zijn gewaarmerkt in hun belangen zijn geschaad. Dit geldt temeer nu eisers niet hebben aangevoerd dat onduidelijk is op welke bescheiden verweerder bij het in heroverweging verlenen van vrijstelling het oog had.
Ter zitting is gebleken dat in het vrijstellingsbesluit per abuis is overwogen dat bij brief van 20 oktober 2001 de zienswijze van eisers ongegrond is verklaard. Dit is gebeurd bij brief van 2 oktober 2002. Nu vaststaat dat verweerder bij brief op de zienswijze heeft gereageerd en eisers die brief ook ontvangen hebben is er geen aanleiding voor het oordeel dat aan het vrijstellingsbesluit in zoverre een motiveringsgebrek kleeft.
De rechtbank kan eisers evenmin volgen in hun stelling dat het vrijstellingsbesluit geen inhoudelijke onderbouwing kent. In dit besluit wordt immers verwezen naar de brief (de rechtbank leest) van 2 oktober 2002, waarbij de zienswijze ongegrond is verklaard, en de afzonderlijke ruimtelijke onderbouwing. Voorts is verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, die ook op de inhoudelijke kanten van de besluitvorming is ingegaan. Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat het bestreden besluit in zoverre een deugdelijke motivering ontbeert. De enkele omstandigheid dat deze onderbouwing niet van een datum en/of stempel is voorzien maakt dit niet anders. De ruimtelijke onderbouwing -waarop hierna nog zal worden ingegaan- laat immers geen enkel misverstand bestaan over de vraag over welk vrijstellingsverzoek het gaat. Het valt dan ook niet in te zien op welke wijze de door eisers gevreesde verwarring zou kunnen ontstaan.
Wat betreft de inhoudelijke aspecten van de zaak hebben eisers aangevoerd dat zij zich ernstig gedupeerd voelen door de omstandigheid dat op het perceel een (volstrekt) verouderd bestemmingsplan van toepassing is, op grond waarvan het voor verweerder niet mogelijk is om tegen strijdig gebruik op te treden. [D] heeft zich daardoor onbeperkt kunnen uitbreiden. Onder deze omstandigheden is het niet gerechtvaardigd om aan verdere uitbreiding mee te werken. Het bestreden besluit geeft bovendien amper blijk van een planologische visie. Verweerder heeft met name vanwege het bedrijfsbelang, de onmogelijkheid om tegen strijdig gebruik op te treden alsmede het feit dat het bouwplan niet afstuit op de geldende milieu-eisen besloten om de gevraagde vrijstelling te verlenen. Daar komt bij dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering". Op grond van de in deze publicatie opgenomen afstandsnormen kan de vrijstelling niet worden verleend. Wat de milieu-eisen betreft kan verder worden opgemerkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de recent aan [D] verleende vergunning op grond van de Wet milieubeheer heeft vernietigd omdat de normen met betrekking tot de brandveiligheid in de bij de vergunning behorende voorschriften niet goed zijn vastgelegd, aldus nog steeds eisers.
De rechtbank overweegt ten aanzien van deze gronden het volgende.
De enkele omstandigheid dat in dit geval een bestemmingsplan van toepassing is, dat al bijna vijftig jaar oud is (wat daar verder ook van zij), hoeft als zodanig niet in de weg te staan aan het verlenen van vrijstelling. De wetgever heeft immers ook het verlenen van vrijstelling van bestemmingsplannen, die niet tijdig zijn herzien, uitdrukkelijk mogelijk gemaakt. In dit verband wordt verwezen naar het bepaalde in art. 19 lid 4 WROPro. Bovendien is de zelfstandige projectprocedure als bedoeld in art. 19 lid 1 WROPro nevengeschikt aan de bestemmingsplan-procedure. Aan de bestemmingsplanprocedure komt in vergelijking met de zelfstandige projectprocedure dan ook geen zwaarder gewicht toe.
Burgemeester en wethouders (dan wel, in voorkomend geval: de gemeenteraad) beschikken bij de beslissing om al dan niet vrijstelling van het geldende bestemmingsplan te verlenen over een ruime mate van beleidsvrijheid. Deze beslissing is in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij hen bestaan over de wenselijk geachte planologische ontwikkelingen in het betrokken gebied. De toetsing door de rechter van de beslissing om zodanige vrijstelling te verlenen kan dan ook maar een zeer beperkte zijn. Dat neemt niet weg dat zo'n beslissing moet voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en aan een aantal wettelijke vereisten, waartoe met name het vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing moet worden gerekend.
Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder relatief veel gewicht heeft gehecht aan het feit dat het in dit geval niet om een "blanco situatie" gaat, maar om een terrein dat al meer dan dertig jaar -op basis van art. 19 WROPro- in gebruik is als bedrijfsterrein. De rechtbank kan verweerder in deze stellingname volgen. Gelet op deze omstandigheid behoefde verweerder niet uitgebreid te motiveren waarom de uitbreiding van het bedrijf in planologisch opzicht aanvaardbaar is. Dit zou slechts anders zijn geweest indien het bouwplan ingrijpende consequenties voor eisers zou hebben. Er is evenwel gesteld noch gebleken dat dit het geval is. Van de zijde van eisers is weliswaar aangevoerd dat de overkapping op het hoogste punt 6,5 meter hoog zal zijn, maar de rechtbank vindt daarin geen aanleiding voor het oordeel dat sprake zal zijn van (onaanvaardbare) visuele hinder. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is namelijk gebleken dat [B] -die op een afstand van 10 meter van de perceelgrens woonachtig is- geen rechtstreeks uitzicht op de overkapping heeft. [B] heeft dat wel, maar zijn woning bevindt zich op een afstand van 60 meter van de perceelgrens. De rechtbank acht deze afstand ruim voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat geen sprake is van zodanige visuele hinder, dat in redelijkheid de vrijstelling niet verleend had kunnen worden. Dit geldt temeer nu verweerder bij het bestreden besluit heeft bepaald dat rondom de overkapping beplanting moet worden aangebracht.
Tussen partijen is met name in geschil of verweerder, gelet op de afstanden die in de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" genoemd worden, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de gevraagde vrijstelling te verlenen. Van de zijde van [D] is in dit verband aangevoerd dat toetsing aan deze publicatie niet aan de orde is, nu het om een bestaand bedrijf gaat waarvoor bovendien recent een vergunning op grond van de Wet milieubeheer is verleend. In het kader van die vergunning zijn alle milieu-aspecten al meegewogen en is bepaald aan welke milieunormen het bedrijf, gelet onder andere op de afstanden tot de woningen van eisers, moet voldoen, aldus [D]. Dit betoog treft doel. Volgens vaste jurisprudentie is de bescherming van het milieu immers een aspect dat primair in het kader van de Wet milieubeheer bekeken moet worden. Voor de opvatting dat verweerder de vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen, bestaat slechts aanleiding als ernstig moet worden betwijfeld of een milieuvergunning kan worden verleend. GS hebben bij besluit van 22 februari 2002 een revisievergunning aan [D] verleend. Deze vergunning heeft mede betrekking op de overkapping, waarvoor verweerder bij het bestreden besluit vrijstelling heeft verleend. De vergunning is weliswaar bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2003 vernietigd, maar deze vernietiging zag alleen op brandveiligheidsaspecten van de inrichting. Uit de verklaring van geen bezwaar, die GS ten behoeve van het vrijstellingsbesluit hebben afgegeven, blijkt evenwel dat volgens GS deze omissie hersteld kan worden. De rechtbank heeft op basis van de gedingstukken geen aanleiding om voorshands te veronderstellen dat deze stelling onjuist zou zijn. Bovendien blijkt uit een brief van 2 juni 2003 van GS aan de gemachtigde van [D] dat voor het realiseren van een overkapping en het plaatsen van een wachtruimte geen melding ex art. 8.19 Wet milieubeheer is vereist, omdat het gaat om een verandering van de inrichting of van de werking daarvan die in overeenstemming is met de (thans weer van toepassing zijnde) vergunning, die bij besluit van 1 maart 1996 is verleend, en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, inclusief een melding als bedoeld in art. 8.19 Wet milieubeheer van 2 januari 2001. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden moet worden vastgesteld dat de milieugevolgen van de inrichting -inclusief de thans aan de orde zijnde uitbreiding- al zijn beoordeeld in het kader van de Wet milieubeheer. Voor een afzonderlijke toetsing aan de hiervoor bedoelde VNG-publicatie is dan ook geen ruimte meer. Deze publicatie is immers uitsluitend bedoeld als hulpmiddel voor een zekere categorisering van bedrijven ten behoeve van het opstellen van -met name- bestemmingsplannen. Uit de publicatie blijkt -verwezen zij onder andere naar de pagina's 10 en 11- dat de afstanden in de tabel bij de publicatie slechts als indicatief bedoeld zijn en zeker niet als standaardnorm kunnen worden gebruikt. De informatie heeft ook geen betrekking op individuele bedrijven of situaties. Iedere concrete situatie moet in haar eigen context worden geplaatst, aldus de opstellers van "Bedrijven en milieuzonering".
Aangezien niet is gesteld of gebleken dat het vrijstellingsbesluit om andere redenen dan hiervoor genoemd niet in stand zou kunnen blijven, komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de gevraagde vrijstelling te verlenen. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.M. Telman, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2005, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.
w.g. P.R.M. Poiesz
w.g. C.M. Telman
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 junctoPro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Postbus 20019
2500 EA Den Haag
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.