ECLI:NL:RBLEE:2005:AU3714

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
4 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/1457
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 Wet kinderopvangArt. 49 Wet kinderopvangArt. 8:84 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen aanwijzing op grond van de Wet kinderopvang

Het geschil betreft een voorlopige voorziening tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek, waarbij op grond van artikel 65 van Pro de Wet kinderopvang een aanwijzing is gegeven dat de heer B geen enkele bemoeienis mag hebben met het door verzoekster geëxploiteerde kinderdagverblijf en gastouderbedrijf.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op 4 oktober 2005, waarbij verzoekster niet is verschenen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid. Hierbij is vooral gewicht toegekend aan een brief van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, mede ondertekend door een vertrouwensarts, waarin ernstige verontrustende signalen worden beschreven.

Daarnaast zijn eerdere veroordelingen van de heer B en klachten van ouders meegenomen in de afweging. Gezien deze feiten is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aanwezigheid van de heer B niet verenigbaar is met het vereiste van een veilige en gezonde omgeving zoals bedoeld in artikel 49 van Pro de Wet kinderopvang.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en verklaart dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep openstaat. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de aanwijzing op grond van de Wet kinderopvang wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Proces-verbaal mondelinge uitspraak ex artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 05/1457
Inzake het geding tussen
[A] h.o.d.n. [bedrijfsnaam], wonende te Sneek, verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek, verweerder,
gemachtigde: mr. R. Grijpstra, medewerkster bij verweerders gemeente, en mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden.
1. Aanduiding van het besluit waarop het verzoek betrekking heeft
Het besluit van verweerder van 11 augustus 2005, inhoudende de op grond van art. 65 van Pro de Wet kinderopvang gegeven aanwijzing dat de heer [B] op geen enkele wijze bemoeienis zal hebben met het door verzoekster geëxploiteerde kinderdagverblijf en gastouderbedrijf.
2. Datum van de zitting
Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 oktober 2005. Verzoekster is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigden.
3. De voorzieningenrechter sluit de behandeling en doet onmiddellijk mondeling uitspraak
a. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek af.
b. De gronden van de beslissing
Voor het treffen van een voorlopige voorziening, zoals is gevraagd door verzoekster, is in beginsel aanleiding indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat een tegen een besluit ingediend bezwaar- of beroepschrift gegrond zal worden verklaard. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid van de bevoegdheid genoemd in art. 65 Wet Pro kinderopvang gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter acht daarbij met name de mede namens een vertrouwensarts ondertekende brief van 25 mei 2005 van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling van belang. De in deze brief gegeven beschrijving van de ontvangen verontrustende signalen is zodanig ernstig dat verweerder het belang van de opvang van kinderen in een veilige en gezonde omgeving zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van verzoekster bij de inzet van de heer [B] bij de exploitatie van haar kinderdagverblijf en gastouderbedrijf. Voorts heeft verweerder naast deze brief terecht de eerdere veroordeling van de heer [B] en de ook al in een eerder stadium van ouders ontvangen klachten bij zijn afweging betrokken. Gezien deze voorgeschiedenis en de in de brief van 25 mei 2005 beschreven signalen heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht kunnen stellen dat door de aanwezigheid van de heer [B] niet wordt voldaan aan het in art. 49 Wet Pro kinderopvang omschreven vereiste van een voor een kind veilige en gezonde omgeving.
Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
De voorzieningenrechter deelt mede dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open staat.
De zitting wordt gesloten.
Waarvan proces-verbaal.
w.g. M.A. Jansen, griffier
w.g. E. de Witt, voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op: 4 oktober 2005