ECLI:NL:RBLEE:2005:AU5077

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
10 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/1519
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1a AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:10 AwbArt. 8:54a AwbArt. 8:74 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugverwijzing naar bestuursorgaan wegens onrechtmatige instemming met rechtstreeks beroep

De Stichting Bibliotheken Zuidoost Fryslân maakte bezwaar tegen een subsidiebesluit van de gemeente Opsterland over 2004. De gemeente stuurde het bezwaarschrift door naar de rechtbank als rechtstreeks beroep, hoewel de indiener dit niet had verzocht.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente onterecht het initiatief heeft genomen tot het overslaan van de bezwaarprocedure, wat strijdig is met het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De bezwaarschriftprocedure moet in beginsel worden gevolgd voordat beroep kan worden ingesteld.

De rechtbank sluit het onderzoek en bepaalt dat het beroepschrift als bezwaarschrift moet worden behandeld. Tevens wordt de gemeente verplicht het betaalde griffierecht van € 276,- aan de eiseres te vergoeden. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

De uitspraak is definitief en er is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank wijst het rechtstreeks beroep af en verwijst de zaak terug naar het bestuursorgaan voor behandeling van het bezwaarschrift met vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:54a van de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 05/1519
Inzake het geding tussen
de stichting “Stichting Bibliotheken Zuidoost Fryslân”, gevestigd te Wolvega, eiseres,
gemachtigde: L. Postma, directeur/bestuurder,
en
het college van burgemeester en wethouders van Opsterland, verweerder.
Procesverloop
Op 5 juli 2005 heeft verweerder aan eiseres een brief verzonden, waarin mededeling is gedaan van een besluit tot vaststelling van subsidie over het jaar 2004. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 16 augustus 2005 bezwaar gemaakt. Op 2 september 2005 heeft verweerder het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar de rechtbank, nadat eiseres had ingestemd met zijn voorstel daartoe.
Na bestudering van de stukken en na ontvangst van het verschuldigde griffierecht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en bepaalt dat onmiddellijk uitspraak zal worden gedaan met toepassing van artikel 8:54a van de Awb.
Motivering
Ingevolge artikel 7:1a van de Awb, voor zover hier van belang, kan de indiener van een bezwaarschrift, in het bezwaarschrift, het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter, zulks in afwijking van artikel 7:1, en kan het bestuursorgaan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.
Ingevolge artikel 8:54a van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het bestuursorgaan kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. In dat geval strekt de uitspraak ertoe dat het bestuursorgaan het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt. Artikel 7:10 is Pro van overeenkomstige toepassing.
Het bezwaarschrift van eiseres tegen het (primaire) besluit van verweerder van 5 juli 2005 bevat geen verzoek als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb. Verweerder heeft eiseres bij brief van 19 augustus 2005 voorgesteld om haar bezwaarschrift niet zelf af te doen, maar door te zenden naar de rechtbank, omdat naar zijn oordeel de bezwaarprocedure in dit geval geen toegevoegde waarde heeft. In reactie hierop heeft eiseres bij brief van 29 augustus 2005 aan verweerder meegedeeld dat zij akkoord gaat met dit voorstel.
Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt de handelwijze van verweerder, waarbij deze het initiatief heeft genomen tot het overslaan van de bezwaarprocedure, zich niet met het stelsel van de Awb. De hoofdregel is dat de bezwaarschriftprocedure moet worden gevolgd alvorens in beroep kan worden gegaan bij de rechter. Uitgangspunt is dat een volledige beleidsmatige en juridische heroverweging van het geschil tussen de burger en overheid een wezenlijke bijdrage levert aan de beslechting van dat geschil. Uit het stelsel van de wet vloeit voort dat de burger die wil afwijken van dit normale patroon daartoe het initiatief moet nemen, hetgeen impliceert dat hij op de hoogte is van de verschillende voor hem open staande wegen en hun gevolgen. “Juist omdat het instellen van rechtstreeks beroep slechts in een zeer beperkt aantal gevallen voordelen zou kunnen opleveren, moet degene die er niet van overtuigd is dat die zich in zijn geval voordoen, ervan afzien de eerste fase van rechtsbescherming prijs te geven”, aldus de Memorie van antwoord aan de Eerste Kamer (Kamerstuk 2003-2004, 27563, nr. B). Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat er bewust van is afgezien om te regelen dat een bestuursorgaan verplicht is om bij elk besluit melding te maken van de mogelijkheid dat in het bezwaarschrift om rechtstreeks beroep kan worden verzocht, omdat een dergelijke vermelding ten onrechte de indruk zou kunnen wekken dat het bestuursorgaan van mening is dat de bezwaarschriftprocedure wat hem betreft zinloos is, terwijl daarvan in werkelijkheid in het geheel geen sprake hoeft te zijn. Een en ander laat volgens de regering onverlet dat het bestuursorgaan - indien het dat passend acht - belanghebbenden kan wijzen op de mogelijkheid van rechtstreeks beroep. Hierbij is als voorbeeld genoemd dat met het besluit een algemene folder over bezwaar en beroep, waarin mede aandacht wordt besteed aan deze mogelijkheid, kan worden meegezonden. Het doen van een concreet voorstel om over te gaan tot rechtstreeks beroep - onder de toevoeging dat de bezwaarprocedure in het betreffende geval geen toegevoegde waarde heeft - zoals verweerder in dit geval heeft gedaan, brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat onvoldoende verzekerd is dat eiseres zich ervan bewust was dat de rechterlijke toetsing wezenlijk anders is dan een bestuurlijke heroverweging en de bezwaarfase bewust heeft willen prijsgeven. Verweerder mocht het bezwaarschrift tegen zijn besluit van 5 juli 2005 dan ook niet doorzenden naar de rechtbank, maar diende het als bezwaarschrift in behandeling te nemen.
Aangezien verweerder het bezwaarschrift ten onrechte heeft doorgezonden, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb bepalen dat de gemeente Opsterland het betaalde griffierecht van € 276,- aan eiseres vergoedt. Er zijn geen termen om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb een partij te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat verweerder het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling neemt;
- bepaalt dat de gemeente Opsterland aan eiseres het betaalde griffierecht van € 276,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door hem uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2005 in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.
w.g. P.R.M. Poiesz
w.g. E. de Witt
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.
Afschrift verzonden op: 10 oktober 2005