3.1 De raad stelt zich op het standpunt dat het wegnemen van de blokkades tegen contact met hun vader bij de kinderen voorop moet staan; de raad twijfelt of wijziging van de voorlopige toevertrouwing en het losrukken van de kinderen uit hun vertrouwde omgeving een toegevoegde waarde heeft zolang die blokkades nog bestaan.
3.2 De rechtbank is het met de raad eens, dat wijziging van de verblijfplaats van kinderen van de ene ouder naar de andere in zijn algemeenheid voor minderjarigen een zeer ingrijpend middel is, dat geen bredere toepassing behoort te vinden dan strikt noodzakelijk.
3.3 In dit geval echter dreigen de kinderen naar het oordeel van de rechter in een loyaliteitsconflict te komen of verkeren zij daar al in. De rechtbank heeft op 10 augustus 2005 weliswaar voorlopig een voorlopige omgangsregeling opgelegd, maar de kinderen vonden het in de ontstane situatie moeilijk om bij hun vader op bezoek te gaan. Wellicht hebben zij zich -zoals verreweg de meeste kinderen die in een vergelijkbare situatie komen te verkeren- (mede) laten beïnvloeden door de (onuitgesproken) negatieve reactie van hun moeder. Hun weerzin om hun vader te ontmoeten, neemt kennelijk toe. De man heeft er moeite mee dit te plaatsen en te accepteren en de vrouw laat zich klaarblijkelijk weinig gelegen liggen aan de bewoordingen in het kortgeding vonnis van 5 september 2005 dat zij "zich dient te realiseren dat zij, als ouder die het gezag uitoefent en bij wie de kinderen hun verblijfplaats hebben, er voor verantwoordelijk is dat de vastgestelde omgang daadwerkelijk plaats vindt". De polarisatie tussen de ouders onderling biedt steeds minder uitzicht op het daadwerkelijk op korte termijn tot stand komen van contacten tussen vader en kinderen, terwijl de rechter (nog steeds) geen aanleiding ziet om de hervatting van de contacten tussen de man en de kinderen nog langer uit te stellen.
3.4 De rechter zal daarom thans bepalen dat de kinderen aan de man worden toevertrouwd indien de omgang niet daadwerkelijk plaatsvindt. De man woont nog in de echtelijke woning, op betrekkelijk korte afstand van de vrouw en de kinderen kunnen dezelfde school blijven bezoeken, terwijl de man in staat is de verzorging en opvoeding van de kinderen volledig op zich te nemen. Het voorgaande maakt wijzing van de verblijfplaats minder ingrijpend voor de kinderen. Bovendien heeft de man toegezegd dat zij hun moeder mogen bezoeken en de rechtbank gaat er van uit dat hij dat zo vaak als mogelijk is zal toestaan.
3.5 Omdat de kinderen er naar het oordeel van de rechter echter het meest bij gebaat zijn dat hun huidige verblijfplaats ongewijzigd blijft, waarbij het hun -dat is daar onlosmakelijk mee verbonden- door alle volwassenen van harte gegund wordt om met hun beide ouders een goed contact te hebben, ziet de rechter aanleiding te bepalen dat indien de vrouw volledig en zonder enig voorbehoud de in deze beschikking opgenomen omgangsregeling nakomt en deze omgangsregeling ook verder blijft nakomen in die zin dat de kinderen de man daadwerkelijk conform de vastgestelde omgangsregeling ontmoeten, de voorlopige toevertrouwing aan de man niet zal mogen worden toegepast.
3.6 Het verzoek van de man om hogere dwangsommen op te leggen bij niet-nakoming van de opgelegde omgangsregeling, zal worden afgewezen nu er al een dwangsom is opgelegd in de kort gedingprocedure en de kinderen aan de man kunnen worden toevertrouwd indien de vrouw de omgangsregeling niet nakomt. De man heeft dan geen belang meer bij toewijzing hiervan.
3.7 De rechtbank wil partijen er ten overvloede op wijzen dat de kinderen, om op te kunnen groeien tot evenwichtige volwassenen, ouders nodig hebben die goed met elkaar kunnen overleggen over hen en met wie zij allebei een goed contact kunnen hebben. De rechtbank adviseert partijen om in het belang van hun kinderen nogmaals te trachten om via een mediator goede afspraken met elkaar te maken.