ECLI:NL:RBLEE:2005:AU8885
Rechtbank Leeuwarden
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Matiging concurrentiebeding wegens onredelijke beperking werknemer na ontslag
De werknemer trad in 2001 in dienst bij Van Swaay Harlingen B.V. als commercieel medewerker en was werkzaam in Noord- en Oost-Nederland. Na bedrijfseconomische omstandigheden werd zijn dienstverband opgezegd per 31 augustus 2005. De arbeidsovereenkomst bevatte een non-concurrentiebeding dat de werknemer verbood om gedurende twee jaar in heel Nederland in dezelfde branche te werken.
De werknemer wilde bij een concurrent in dienst treden, maar werd gehinderd door het concurrentiebeding. Hij stelde dat het beding onredelijk en onwettig was, onder meer omdat de boeteclausule niet voor rechterlijke matiging vatbaar was en het beding te ruim was qua duur en gebied. Van Swaay stelde dat zij een zwaarwegend belang had bij handhaving vanwege de kleine en concurrerende markt.
De kantonrechter oordeelde dat het boetebeding nietig of vernietigbaar was wegens strijd met de wet, maar het gehele beding bleef grotendeels van kracht. Gezien de belangen van beide partijen en de omstandigheden, waaronder het feit dat de werknemer sinds mei 2005 geen werkzaamheden meer verrichtte en de functie was komen te vervallen door bedrijfseconomische redenen, matigde de rechter het beding. De duur werd beperkt tot één jaar vanaf mei 2005 en het gebied tot Friesland, Groningen en Drenthe.
De gevorderde vergoeding aan de werknemer werd afgewezen omdat het beding al aanzienlijk was gematigd en de werknemer een WW-uitkering ontving. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: Het concurrentiebeding is gematigd tot één jaar en beperkt tot Friesland, Groningen en Drenthe; de gevorderde vergoeding is afgewezen.