Verdachte heeft samen met een ander geprobeerd een bejaard echtpaar te beroven. Voorts heeft hij, samen met dezelfde mededader, een man van 75 jaar in zijn woning beroofd van geld en andere goederen en hem geruime tijd van zijn vrijheid beroofd gehouden door hem te boeien en te knevelen en hem te dwingen in het toilet van zijn woning te verblijven. In het kader van de beroving hebben de daders het slachtoffer bedreigd en geweld op hem toegepast. Verdachte heeft met deze buitengewoon verwerpelijke handelingen een grove schending van fundamentele rechten van het slachtoffer gepleegd, zoals het recht op integriteit van het lichaam, het huisrecht en het recht op eigendom. Extra strafverzwarend acht de rechtbank dat de daders hun plan zorgvuldig hebben voorbereid, daaronder begrepen de aanschaf van een vermomming en van handboeien en tape alsmede het meebrengen van een mes. Voorts laat de rechtbank in negatieve zin meewegen dat zij voor de overval speciaal van Den Haag, waar zij het plan hebben beraamd, naar Gorredijk zijn gereisd om hun plan uit te voeren, alwaar woningen zijn uitgezocht waar uitsluitend alleenstaande bejaarde personen wonen. De rechtbank acht de omstandigheid dat verdachte en zijn mededader zich op geen enkele wijze hebben bekommerd om de lichamelijke en geestelijke gevolgen voor het beroofde slachtoffer en dat zij deze man hulpeloos in zijn woning hebben achtergelaten, eveneens strafverzwarend. Onder deze omstandigheden lijkt alleen een langdurige gevangenisstraf recht te doen aan de samenleving en in het bijzonder aan de slachtoffers.
Voorts is van belang dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake enig strafbaar feit. Als strafverminderde omstandigheid weegt de rechtbank mee dat aannemelijk is geworden dat de rol van verdachte, met name met betrekking tot het op het slachtoffer uitgeoefende geweld, minder was dan die van zijn mededader. De rechtbank heeft tevens de inhoud van het omtrent verdachte opgestelde psychologische rapport van 23 maart 2006 in aanmerking genomen. De conclusie van dit rapport luidt als volgt.
1. Verdachte is een afhankelijke, intellectueel benedengemiddelde man met een ziekelijke stoornis in de zin van een angststoornis NAO (niet anderszins omschreven). Hiervan was ook sprake ten tijde van het telastegelegde.
2. Bovengenoemde angststoornis is van dien aard dat het telastegelegde hem in verminderde mate moet worden toegerekend. Hij zag de wederrechtelijkheid van zijn handelen weliswaar in, maar kon vanwege de bestaande angststoornis zijn handelen niet in overeenstemming brengen met dat verstandelijke inzicht.
3. Verdachte is een suggestibele man die zich te snel laat leiden door de opvatting van anderen, in positieve maar ook in negatieve zin. In een sociale context die positief en normdragend is, is de kans op recidive niet groot. In een omgeving die normoverschrijdend is, zal betrokkene gemakkelijk meegaan in normoverschrijdend gedrag. Ter ondersteuning van zijn zwakke identiteit, angst (voor medeverdachte) en beïnvloedbaarheid wordt begeleiding/behandeling noodzakelijk geacht.
4. Ter preventie van recidive wordt een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf geadviseerd waarbij de voorwaarde bestaat uit een ambulante begeleiding/behandeling onder langdurig toezicht door de reclassering.
De rechtbank kan zich -mede gelet op de inhoud van het proces-verbaal en het verhandelde ter zitting- verenigen met de conclusie en het advies van het psychologisch rapport en maakt deze tot de hare.
Gelet op de geconstateerde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte in combinatie en samenhang met voornoemde strafverminderende omstandigheden, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte een lagere straf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank betrekt in dat oordeel evenzeer de hoogte van de aan de mededader in eerste aanleg opgelegde straf van 48 maanden gevangenisstraf maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Ook zal, mede gelet op het advies van de psycholoog, een deel van de straf voorwaardelijk worden opgelegd om begeleiding en behandeling mogelijk te maken. Om langdurig toezicht van de reclassering mogelijk te maken en om verdachte voor langere tijd te dwingen op het goede pad te blijven, zal de proeftijd op drie jaren worden bepaald.