ECLI:NL:RBLEE:2006:AX6476
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onverenigbaarheid beding tot opzegging huur bij intreding voorwaarde met huurbeschermingsregeling
In deze zaak staat centraal de vraag of een beding in een vaststellingsovereenkomst waarbij de huurder zich verplicht om de huurovereenkomst op te zeggen zodra een bepaalde opschortende voorwaarde is vervuld, verenigbaar is met de wettelijke huurbeschermingsregels. De verhuurder vordert dat de huurder tot opzegging overgaat en de woning ontruimt, terwijl de huurder zich beroept op de bescherming die de wet biedt.
De rechtbank stelt vast dat het beding is overeengekomen na het aangaan van de huurovereenkomst en verwijst naar een arrest van de Hoge Raad waarin is bepaald dat een dergelijke afspraak onverenigbaar is met de strekking van de huurbeschermingsregeling. De huurder kan niet bij voorbaat afstand doen van zijn huurbescherming voordat de verhuurder heeft opgezegd.
De rechtbank oordeelt verder dat het behoud van door de verhuurder betaalde vergoedingen door de huurder niet betekent dat deze heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst. Ook het beroep van de verhuurder op strijd met de redelijkheid en billijkheid wordt verworpen, mede omdat de vergoedingen zijn verstrekt in verband met onderhoud en investeringen en niet specifiek voor beëindiging van de huur.
Uiteindelijk wijst de rechtbank de vorderingen van de verhuurder af en veroordeelt deze in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de verhuurder af en veroordeelt deze in de proceskosten.