ECLI:NL:RBLEE:2006:AX7728

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
3 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/459
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 CSVArt. 6 lid 1 onder k CSVArt. 7:12 lid 1 AwbArt. 8:70 AwbArt. 8:74 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging correctienota en bestuurlijke boete wegens onjuiste cao-toepassing

Eiseres, een onderneming die zowel betimmerings- als aanneming- en bouwwerkzaamheden verricht, kreeg van het UWV correctienota's en bestuurlijke boetes opgelegd voor de jaren 1999 tot en met 2003 wegens vermeende bovenmatige vergoedingen aan werknemers. Eiseres betwistte dat de vergoedingen bovenmatig waren en stelde dat de Belastingdienst deze ook niet als zodanig had aangemerkt. Tevens voerde zij aan dat het UWV in strijd met het gelijkheidsbeginsel had gehandeld.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaar en beroep van eiseres ook betrekking hadden op de opgelegde boetes. Het geschil spitste zich toe op de vraag welke cao van toepassing was op de werknemers die de vergoedingen ontvingen. Het UWV stelde dat de cao voor de meubelindustrie van toepassing was, terwijl eiseres betoogde dat de cao voor het bouwbedrijf van toepassing was, omdat de werknemers hoofdzakelijk bouw- en aannemingwerkzaamheden verrichtten.

De rechtbank stelde vast dat de tekst van de cao bepalend is en dat samengestelde ondernemingen verschillende cao's kunnen toepassen op verschillende afdelingen. Omdat eiseres aannam dat de betrokken werknemers 90% van hun werktijd bouw- en aannemingwerkzaamheden verrichten en dit niet door het UWV was betwist, concludeerde de rechtbank dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de cao voor het bouwbedrijf niet van toepassing zou zijn. Ook was onvoldoende onderzoek gedaan naar de interne organisatie van eiseres.

Daarom werd het bestreden besluit vernietigd voor zover het niet de fietsvergoedingen betrof. Het UWV moet opnieuw beslissen op het bezwaarschrift. Daarnaast werd het betaalde griffierecht van €276 aan eiseres vergoed en werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten van €644.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onjuiste cao-toepassing en onvoldoende motivering; het UWV moet opnieuw beslissen en griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector Bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 05/459
Inzake het geding tussen
de besloten vennootschap "Van Zandbergen Scheepsbetimmeringen B.V.", gevestigd te Dronrijp, eiseres,
gemachtigde: M. van der Meer, werkzaam bij Weistra & Van der Meer, Belastingadviseurs te Leeuwarden,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.
Procesverloop
Bij brief van 17 februari 2005 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van een besluit met betrekking tot de toepassing van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CSV).
Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 20 december 2005. Namens eiseres is [A] -directeur van eiseres- verschenen, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Verweerder is -met kennisgeving- niet verschenen.
Motivering
Eiseres exploiteert ten tijde van belang een onderneming waarin zowel betimmerings- als aanneming- en bouwwerkzaamheden worden verricht.
In 2004 is bij eiseres een looncontrole uitgevoerd waarbij -voorzover hiervan belang- is geconstateerd dat eiseres in de jaren 1999 tot en met 2003 bovenmatige gereedschaps-, kleding-, laarzen- en fietsvergoedingen heeft verstrekt. Bij brief van 11 juni 2004 heeft verweerder eiseres meegedeeld voornemens te zijn haar correctiesnota's op te leggen, waarop namens eiseres bij brief van 19 juli 2004 is gereageerd. Vervolgens heeft verweerder over de jaren 1999 tot en met 2003 bij afzonderlijke besluiten van 15 oktober 2004 correctienota's voor de premies sociale werknemersverzekeringen opgelegd. Voorts heeft verweerder bij afzonderlijke besluiten van 19 oktober 2004 over de jaren 1999 tot en met 2003 boetes opgelegd.
Bij brief van 24 november 2004, door verweerder op 25 november 2004 ontvangen, is namens eisers bezwaar aangetekend tegen voormelde correctienota's en de daarmee samenhangende bestuurlijke boetes. Eiseres betwist dat de door haar verstrekte vergoedingen bovenmatig zijn. In dit verband wijst eiseres erop dat de Belastingdienst de verstrekte vergoedingen ook niet als bovenmatig heeft aangemerkt. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat verweerder in strijd met het gelijkheidbeginsel heeft gehandeld.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en zijn primaire correctie- en boetebesluiten gehandhaafd.
In beroep heeft eiseres haar in bezwaar geuite bezwaren gehandhaafd en nader toegelicht.
In dit geding dient de rechtbank aan de hand van hetgeen eiseres heeft aangevoerd te beoordelen of het bestreden besluit in rechte in stand kan blijven. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende. Zij stelt vast dat eiseres in beroep geen gronden heeft ingediend tegen de in bezwaar gehandhaafde correctienota's en boetebesluiten voorzover die zien op de door eiseres in de jaren 1999 tot en met 2003 verstrekte fietsvergoedingen, zodat dat onderdeel van het bestreden besluit in dit geding niet ter beoordeling ligt. Overigens is de rechtbank anders dan verweerder van oordeel dat het bezwaar en beroep van eiseres ook gericht is tegen de opgelegde boetes. Het bezwaar- en beroepschrift moet naar het oordeel van de rechtbank aldus worden begrepen dat geen grond bestaat voor oplegging van boetes, omdat eiseres art. 10 lid 2 CSV Pro niet heeft geschonden daar haar inziens geen sprake is van bovenmatige verstrekte kostenvergoedingen.
De rechtbank stelt voorop dat de hoofdregel van art. 4 CSV Pro luidt dat al hetgeen uit (tegenwoordige) dienstbetrekking wordt genoten loon vormt voor de premieheffing werknemersverzekeringen.
Een uitzondering hierop wordt onder meer gemaakt in art. 6 lid Pro 1, onder k, CSV, waarin is bepaald dat niet tot het loon behoren vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten.
Gegeven het uitzonderingskarakter van deze bepaling op de hoofdregel, ligt het naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op de weg van degene die een beroep doet op deze bepaling, aannemelijk te maken dat zich een situatie voordoet, als bedoeld in evenvermeld voorschrift.
Verweerder voert als vaste gedragslijn dat vergoedingen die niet uitgaan boven de vergoedingen die op basis van de op het bedrijf van toepassing zijnde CAO aan de desbetreffende werkgevers worden verstrekt niet worden geacht tot het loon te behoren. Indien een hogere vergoeding wordt verstrekt, dient de werkgever aan de hand van een kostenonderzoek aan te tonen dan die vergoedingen strekken tot bestrijding van kosten.
De rechtbank acht geen grond voor het oordeel dat verweerder aldus oordelend de grenzen van zijn beleidsvrijheid heeft overschreden.
Eiseres stelt, en door verweerder wordt niet betwist, dat de aan de desbetreffende werknemers uitbetaalde vergoedingen niet uitgaan boven de bedragen die voortvloeien uit de Cao voor het bouwbedrijf. Partijen zijn evenwel verdeeld over de vraag of voor die werknemers ook de Cao voor het bouwbedrijf van toepassing is. Verweerder stelt zich bij het bestreden besluit op het standpunt dat op het bedrijf van eiseres de Cao Meubelindustrie (rechtbank: kennelijk zal bedoeld zijn de Cao voor de meubelindustrie en meubilieringbedrijven) van toepassing is, nu het bedrijf van eiseres voor de toepassing van de WW ingedeeld is in de sector 7, Meubel- en orgelindustrie, zoals bedoeld in de artikelen 97k tot en met 97l WW en zowel de Cao voor het bouwbedrijf als voor de meubelindustrie en meubilieringbedrijven bepalen dat het niet mogelijk is dat een bedrijf slechts voor een deel van de werknemers onder de werking van één van beide Cao's valt.
De rechtbank kan verweerder in dit standpunt niet volgen. Ten eerste is de tekst van de Cao en niet de sectorindeling op grond van de WW bepalend voor de vraag welke Cao op de desbetreffende werknemers van toepassing is. Uit de tekst van deze Cao's blijkt verder dat voor zogenaamde samengestelde ondernemingen verschillende Cao's van toepassing kunnen zijn. In de Cao voor het bouwbedrijf 2001 is onder meer bepaald dat indien een onderneming, naast het bouwbedrijf, tevens een ander bedrijf uitoefent, de Cao voor het bouwbedrijf van toepassing is ten aanzien van alle werknemers in de afdeling bouwbedrijf, indien elk bedrijf in een afzonderlijke afdeling wordt uitgeoefend. Afzonderlijke afdelingen worden aanwezig geacht indien iedere bedrijfsuitoefening feitelijk als zelfstandige eenheid is georganiseerd. Ook in de Cao voor meubelindustrie en meubileringsbedrijven 2000/2002 is bepaald dat de Cao van toepassing is in afdelingen van een onderneming, die uitsluitend of in hoofdzaak één of meer van de andere in de Cao omschreven werkzaamheden uitvoeren, tenzij voor het merendeel van het personeel van de onderneming een andere Cao van toepassing is en deze Cao tevens voor de bedoelde afdeling van toepassing is verklaard.
Eiseres stelt, en door verweerder wordt niet betwist, dat binnen het bedrijf van eiseres naast betimmerings- ook bouw- en aannemingwerkzaamheden worden verricht. Verder ondersteunt hetgeen eiseres in bezwaar naar voren heeft gebracht, in het bijzonder de omstandigheid dat kennelijk voor de Belastingdienst niet ter discussie staat dat de betrokken werknemers dezelfde kosten moeten maken als de werknemers die wel onder de Cao voor het bouwbedrijf vallen, dat de betrokken werknemers binnen het bedrijf van eiseres hoofdzakelijk betimmerings- of bouw- en aannemingwerkzaamheden verrichten. Ter zitting is namens eiseres verklaard dat de betrokken werknemers 90% van hun werktijd bouw- en aannemingwerkzaamheden verrichten. Onder deze omstandigheden heeft, naar het oordeel van de rechtbank, verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat voor de betrokken werknemers de Cao voor het bouwbedrijf niet van toepassing is. In dat kader heeft verweerder voorts onvoldoende onderzoek verricht naar de (interne) organisatie van het bedrijf van eiseres en de verhouding tussen de verschillende bedrijfsactiviteiten.
Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit, voorzover dat althans geen betrekking heeft op de verstrekte fietsvergoedingen, zal wegens strijd met art. 7:12 lid 1 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw moeten beslissen op het bezwaarschrift van eiseres.
Nu het beroep gegrond is, dient het Uwv, gelet op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb Pro, het door eiseres gestorte griffierecht van in totaal € 276 te vergoeden.
Met toepassing van art. 8:75 Awb Pro veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 644 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijning ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322). De rechtbank wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die de deze kosten aan eiseres dient te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat althans geen betrekking heeft op verstrekte fietsvergoedingen;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 276 aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644, aan haar te betalen door het Uwv.
Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter en door hem in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2006, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.
w.g. B.M. van der Doef
w.g. E. de Witt
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto Pro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht.
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.