ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ0062

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
1 maart 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/504 RDK
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
  • G. Bracht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om schadevergoeding na niet-ontvankelijkverklaring officier van justitie

Verzoeker heeft een schadevergoeding gevraagd voor kosten gemaakt in een strafzaak die eindigde met de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. Het hoger beroep werd ingetrokken, waardoor de uitspraak onherroepelijk werd. Op grond van artikel 591a Sv kan verzoeker vergoeding krijgen voor reis-, verblijf- en raadsman kosten.

Verzoeker vorderde ook inkomensderving over een periode van 10 weken detentie, gebaseerd op zijn netto-omzet in 2000. Uit het accountantsrapport bleek echter dat zijn onderneming per 31 december 2000 was gestaakt en dat hij slechts 3 weken in 2000 in hechtenis was. Bovendien is het onjuist om uit te gaan van netto-omzet als basis voor schade; het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening is relevanter.

De voorzitter oordeelde dat de inkomensderving niet aannemelijk was gemaakt en wees deze vordering af. Wel werd een vergoeding van €22.515,41 toegekend voor de door verzoeker gemaakte kosten, inclusief kosten raadsman en behandeling verzoek. Deze vergoeding wordt ten laste van de Staat gebracht.

Uitkomst: Verzoek om inkomensderving wordt afgewezen, vergoeding voor gemaakte kosten wordt toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector strafrecht
VERZOEK SCHADEVERGOEDING 591a Sv
Rekestnummer: 05/504
Parketnummer: 029009-00
BESCHIKKING
van de voorzitter van de rechtbank te Leeuwarden, op het verzoekschrift van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres] ,
advocaat : mr. M.D. Kalmijn.
Het verzoek strekt tot vergoeding van kosten, welke verzoeker heeft gemaakt ten gevolge van de tegen verzoeker onder parketnummer 029009-00 gevoerde strafzaak tot een bedrag van EUR 39.223,08, inclusief ?600,00 voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift namens verzoeker door de raadsman.
Dit verzoek is op 01 februari 2006 behandeld in raadkamer blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal.
Bij de behandeling is de voorzitter gebleken dat verzoeker kosten heeft gemaakt in de tegen hem gevoerde strafzaak welke is geëindigd door het onherroepelijk worden van de uitspraak van de meervoudige strafkamer d.d. 1 december 2004, waarbij de officier van justitie niet ontvankelijk is verklaard. Het hoger beroep is door de officier van justitie d.d. 16 september 2004 ingetrokken, waardoor de uitspraak van de meervoudige strafkamer onherroepelijk is geworden.
Op grond van het bepaalde in artikel 591a Wetboek van Strafvordering kan verzoeker derhalve in aanmerking komen voor een vergoeding voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten alsmede de kosten van zijn raadsman.
De kosten van de raadsman van verzoeker van ? 21.975,41 zijn voor toewijzing vatbaar. Deze worden vermeerderd met de kosten van indiening en behandeling van het verzoek, te weten ?275,00 voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift namens verzoeker door de raadsman en ?265,00 voor de aanwezigheid van de raadsman ter zitting. De gevraagde kosten voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift namens verzoeker door de raadsman worden door de voorzitter gematigd naar de standaardtarieven.
Verzoeker vordert tevens vergoeding van geleden materiële schade in de vorm van inkomensderving als gevolg van de detentie die verzoeker voor de duur van totaal 10 weken heeft doorgebracht. Hij baseert zich daarbij op een netto-omzet over 2000 van Hfl. 190.709,00.
Het schadebedrag bedraagt volgens verzoeker Hfl 190.709 : 52 (weken) x 10 (weken) = Hfl 36.674,81 ( ? 16.647,67).
Uit het accountantsrapport blijkt dat verzoeker zijn onderneming per 31 december 2000 heeft gestaakt. Vast staat voorts dat verzoeker op 11 december 2000 in hechtenis is genomen en aansluitend 72 dagen gehecht is geweest, waarvan derhalve 21 dagen, zijnde 3 weken, in 2000. Indien er al schade zou zijn geleden, dan zou deze niet over 10, maar over 3 weken moet worden berekend.
Voorts is het onjuist om bij de bepaling van eventuele schade uit te gaan van de netto-omzet. Als uitgangspunt daarvoor lijkt de post Resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening eerder in de rede te liggen. Uit het door verzoeker overgelegde accountantsrapport blijkt dat de netto-omzet over 2000 in vergelijking met 1999 aanmerkelijk (ongeveer Hfl 84.000,00) is gestegen, terwijl het resultaat echter met een bedrag van ongeveer Hfl 7.000,00 is gedaald. Die daling is mede veroorzaakt door een
(eind)afschrijving van Hfl 28.015,= (ongeveer Hfl 20.000 hoger dan over 1999). De voorzitter is van oordeel dat op grond van vorenstaande overwegingen enige inkomensderving -nu eveneens niet nader gemotiveerd is gesteld of gebleken dat de stopzetting van het bedrijf het gevolg is geweest van de detentie van verzoeker, noch wat de schade als gevolg van de stopzetting van het bedrijf is geweest- niet valt te bepalen, noch aannemelijk is geworden. De vordering dient derhalve te worden afgewezen.
De voorzitter zal, alle omstandigheden in aanmerking nemende, op gronden van billijkheid aan verzoeker na te noemen vergoeding ten laste van de Staat toekennen.
BESLISSING
De voorzitter:
kent aan verzoeker een vergoeding toe van ? 22.515,41 (zegge: tweeëntwintigduizend vijfhonderd en vijftien euro en éénenveertig eurocent), over te maken op rekeningnummer [nummer] ten name van St. Beheer Derdengelden Van der Sluis & Van der Zee advocaten onder vermelding van [nummer].
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Bracht, rechter, bijgestaan door J. de Jong, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 01 maart 2006.