ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ5074

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
21 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/2694 (voorlopige voorziening) en AWB 06/1593 (beroep)
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 1 WROArt. 19 lid 4 WROArt. 21 lid 4 WROArt. 8:84 AwbArt. 8:86 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vrijstellingsbesluit aanleg bedrijventerrein Newtonpark IV te Leeuwarden

De rechtbank Leeuwarden behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de gemeente Leeuwarden van 10 mei 2006, waarin een vrijstelling werd verleend voor de aanleg van het bedrijventerrein Newtonpark IV. Verzoekster, Vereniging Milieudefensie, betwistte de rechtmatigheid van dit besluit.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrijstelling geen schorsende werking kon hebben omdat de activiteiten niet in strijd waren met het bestemmingsplan, dat alleen bebouwingsvoorschriften bevatte. Tevens bleek dat het voorbereidingsbesluit, dat de bevoegdheid tot vrijstelling zou rechtvaardigen, was vervallen omdat het ontwerp niet binnen de wettelijke termijn ter inzage was gelegd.

Hierdoor was de gemeente Leeuwarden niet bevoegd het besluit te nemen. De vrijstelling had geen rechtsgevolgen en het bezwaarschrift had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het bezwaarschrift alsnog niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het vrijstellingsbesluit is vernietigd en het bezwaarschrift alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Procedurenummer: AWB 06/2694 en 06/1593
proces-verbaal mondelinge uitspraak van 21 december 2006 op grond van artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
inzake het geding tussen
Vereniging Milieudefensie,
gevestigd te Leeuwarden,
verzoekster,
gemachtigde: J. van der Meer,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,
verweerder,
gemachtigden:
mr. drs. J. van der Noord, werkzaam bij verweerder,
mr. H. Besselse, werkzaam bij verweerder,
ir. J. de Boer, werkzaam bij verweerder.
Aanduiding van het besluit waarop het beroep betrekking heeft
Het besluit van verweerder van 10 mei 2006, inhoudende het ongegrond verklaren van het bezwaarschrift tegen de op grond van art. 19 lid 1 Wet Pro op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleende vrijstelling voor de aanleg van een bedrijventerrein Newtonpark IV te Leeuwarden.
Datum van de zitting
Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 december 2006. Namens verzoekster is J. van der Meer verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigden.
De voorzieningenrechter sluit de behandeling en doet onmiddellijk mondeling uitspraak
a. De beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het inleidende bezwaarschrift alsnog niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de gemeente Leeuwarden het betaalde griffierecht van totaal € 562,= vergoedt;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
b. De gronden van de beslissing
Voor het treffen van een voorlopige voorziening, zoals is gevraagd door verzoekster, is in beginsel aanleiding indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat een tegen een besluit ingediend bezwaar- of beroepschrift gegrond zal worden verklaard.
Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van art. 8:86 lid 1 Awb Pro onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Verweerder heeft bij besluit van 9 december 2005 vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 1 WRO Pro verleend van de voorschriften van het Uitbreidingsplan in hoofdzaak van de gemeente Menaldumadeel en het bestemmingsplan Weg Boksum-Goutum. Beide plannen zijn ouder dan tien jaar, zodat op grond van het vierde lid van art. 19 WRO Pro deze bevoegdheid alleen bestaat indien voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt. Dit besluit is op 4 mei 2005 genomen en daarbij is bepaald dat het met ingang van 9 mei 2005 in werking treedt.
Art. 21 lid 4 WRO Pro bepaalt dat een voorbereidingsbesluit vervalt, indien niet binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp te inzage is gelegd. Dit is niet gebeurd. Dit betekent dat het voorbereidingsbesluit op 9 mei 2006 is vervallen. Op het moment dat het bestreden besluit, genomen op 9 mei 2006, op de voorgeschreven wijze op 10 mei 2006 bekend is gemaakt, was verweerder dus niet meer bevoegd het bestreden besluit te nemen.
De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat dit niet kan leiden tot schorsing van het bestreden besluit. Het Uitbreidingsplan in hoofdzaak kent namelijk uitsluitend bebouwingsvoorschriften. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard, geldt in de gemeente Leeuwarden geen bepaling waarin is bepaald dat het verboden is
gronden in strijd met de ingevolge een op grond van de Woningwet 1901 vastgesteld uitbreidingsplan gegeven bestemming te gebruiken. Nu de onderhavige activiteiten (het storten van zand en de aanleg van infrastructurele werken) niet zien op bouwen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze niet in strijd zijn met het in het bestemmingsplan opgenomen verbod. Er is voor deze activiteiten dus geen vrijstelling vereist van het Uitbreidingsplan in hoofdzaak. Dit betekent dat de vrijstelling op dit punt geen rechtsgevolgen heeft.
Verweerder heeft verder vrijstelling verleend van het bestemmingsplan Weg Boksum-Goutum. Een strook van het te ontwikkelen gebied heeft volgens dit plan de bestemming verkeersdoeleinden. Gelet op de in de betreffende bepaling gegeven omschrijving van de bestemming verkeersdoeleinden, zijn de activiteiten niet in strijd met dit voorschrift en is dus ook geen vrijstelling vereist van dit plan. De vrijstelling heeft dus ook op dit onderdeel geen rechtsgevolgen.
De conclusie moet dan ook zijn dat de vrijstelling geen rechtsgevolgen heeft. Verweerder had derhalve het bezwaarschrift niet-ontvankelijk moeten verklaren. Om die reden wordt het beroep gegrond verklaard. De voorzieningenrechter zal dan tevens zelf in de zaak voorzien en het bezwaarschrift alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 06/2694 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.
Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 06/1593 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto Pro 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van dit proces-verbaal te zenden aan:
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Postbus 20019
2500 EA Den Haag
In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.
De zitting wordt gesloten.
Waarvan proces-verbaal.
w.g. M.A. Jansen, griffier
w.g. C.H. de Groot, voorzieningenrechter