ECLI:NL:RBLEE:2007:AZ6624
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.H. Severein
- M.J. Dijkstra
- Rechtspraak.nl
Vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling valsheid in geschrifte en oplichting
De rechtbank Leeuwarden behandelde op 18 januari 2007 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor meervoudige valsheid in geschrifte en oplichting. De vordering betrof een bedrag van €68.291,00, gebaseerd op kredietovereenkomsten bij drie banken.
De rechtbank onderzocht de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de hand van schriftelijke opgaven van de banken en verklaringen van veroordeelde. Hierbij werd vastgesteld dat een bedrag van €19.000,00 niet meegenomen kon worden omdat de Rabobank al op de hoogte was van de valse identiteit toen veroordeelde gebruik maakte van het krediet. Tevens werden rentebetalingen als onderdeel van het voordeel meegenomen.
De verdediging stelde dat vanwege het faillissement van veroordeelde en de erkenning van schulden bij de curator het voordeel nihil zou zijn, maar de rechtbank oordeelde dat deze vorderingen nog niet onherroepelijk waren vastgesteld en derhalve niet in mindering konden worden gebracht. Ook werd een verzoek tot matiging afgewezen wegens onvoldoende bewijs van toekomstige onvermogen.
Uiteindelijk stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €49.300,91 en legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €49.300,91 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.