ECLI:NL:RBLEE:2008:BC6058

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
6 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
82953 HA ZA 07-440
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens verjaring na nalatigheid advocaat

Eiseres had een ongeval in 1982 en werd bijgestaan door haar advocaat om schade te verhalen op de aansprakelijke partij en diens verzekeraar. De advocaat heeft in 1992 de verjaring van de oorspronkelijke vordering gestuit, maar daarna geen verdere stuitingshandelingen verricht. In 1998 maakte de advocaat namens eiseres aanspraak op een bedrag bij de verzekeraar, die zich vervolgens op verjaring beriep.

Eiseres stelde de advocaat aansprakelijk voor het laten verjaren van haar vordering en vorderde schadevergoeding. De rechtbank overwoog dat hoewel de advocaat in beginsel schadeplichtig is, de vordering van eiseres zelf verjaard is. Onderhandelingen met de verzekeraar zijn onvoldoende om de verjaring te stuiten; daarvoor is een ondubbelzinnige schriftelijke verklaring vereist gericht aan de schuldenaar zelf.

Daarnaast ontbrak het aan een concrete onderbouwing van de schadevergoeding door eiseres. Daarom wees de rechtbank de vordering af en veroordeelde eiseres in de proceskosten van de advocaat. Het vonnis werd op 6 februari 2008 uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiseres af wegens verjaring en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 82953 / HA ZA 07-440
Vonnis van 6 februari 2008
in de zaak van
[eiseres]
wonende te [woonplaats],
eiseres,
procureur mr. P.R. van den Elst,
advocaat mr. J.S. Visser te Stadskanaal,
tegen
Mr. [x],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
procureur mr. J.V. van Ophem,
advocaat mr. F.M. van Sloun, te Arnhem.
Partijen worden hierna [eiseres] en Mr. [x] genoemd.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- Het proces-verbaal van comparitie.
2. De feiten
2.1. [eiseres] heeft op 1 oktober 1982 een ongeval gehad waarvoor zij Meubelfabriek Oisterwijk aansprakelijk heeft gesteld. (productie 1 bij dagvaarding)
2.2. Mr. [x] heeft [eiseres] bijgestaan als advocaat en getracht om de door [eiseres] gestelde schade te verhalen.
2.3. Delta Lloyd heeft als verzekeraar aansprakelijkheid namens Meubelfabriek Oisterwijk erkend. (producties 8 en 12 bij dagvaarding)
2.4. Mr. [x] heeft in 1992 de verjaring van de vordering van [eiseres] op Meubelfabriek Oisterwijk gestuit. (productie 25 bij dagvaarding) Mr. [x] – die als advocaat voor [eiseres] is blijven optreden – heeft daarna geen stuitingshandelingen meer verricht.
2.5. Mr. [x] heeft bij brief van 6 januari 1998 aan Delta Lloyd, namens [eiseres], aanspraak gemaakt op een bedrag van fl. 50.000,--. (productie 33 bij dagvaarding.) Delta Lloyd heeft zich daarop bij brief van 21 augustus 1998 beroepen op verjaring van de vordering. (productie 34 bij dagvaarding.)
2.6. [eiseres] heeft [x] bij brief van 10 september 1998 aansprakelijk gesteld voor het laten verjaren van haar vordering. (productie 36 bij dagvaarding.) De aansprakelijkstelling is herhaald bij (niet in het geding gebrachte) brief van de raadsman van [eiseres] van 31 januari 2000.
De raadsman van [eiseres] heeft na 31 januari 2000 onderhandeld met de verzekeraar van mr. [x]. (producties 43, 44 en 47 bij dagvaarding.)
3. Het geschil
3.1. [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een bedrag van
€ 11.344,50 (inclusief wettelijke rente vanaf 10 oktober 1982 tot de datum van dagvaarding) vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum dagvaarding tot aan de dag van betaling. [eiseres] maakt daarnaast aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en betaling van de kosten van het geding.
3.2. Mr. [x] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voorzover van belang, nader in gegaan.
4. De beoordeling
4.1. Mr. [x] heeft de verjaringstermijn van de door [eiseres] op Meubelfabriek Oisterwijk gestelde vordering laten verstrijken. Deze omstandigheid leidt in beginsel tot een verplichting van mr. [x] tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade. Mr. [x] heeft echter beroep gedaan op verjaring van de rechtsvordering van [eiseres].
[eiseres] heeft dit beroep op verjaring betwist. Volgens haar blijkt uit producties 43, 44 en 47 bij dagvaarding dat zij in onderhandeling was met de verzekeraar van mr. [x], dat zij zich haar recht op nakoming uitdrukkelijk voorbehield en dat uit de antwoorden namens de verzekeraar bleek dat deze namens en in overleg met mr. [x] sprak.
De enkele omstandigheid dat [eiseres] in onderhandeling was met de verzekeraar van mr. [x] is niet voldoende voor stuiting van de verjaring. Dit is door de Hoge Raad bij herhaling bevestigd. Zie onder andere HR 1 februari 2002, NJ 2002, 195. Ook ingeval partijen in onderhandeling zijn, geldt nog steeds dat voor stuiting van de verjaring een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke verklaring is vereist waarin de schuldenaar zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.
De hierboven genoemde brieven waarop [eiseres] zich beroept kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als stuitingshandelingen worden aangemerkt. Enerzijds omdat daaruit onvoldoende blijkt dat [eiseres] zich het recht op nakoming voorbehield en anderzijds omdat de brieven zijn gericht aan de verzekeraar van mr. [x] en niet rechtstreeks aan hem zelf. Dat de verzekeraar namens en in overleg met mr. [x] sprak maakt dit niet anders.
De vordering van [eiseres] moet daarom worden afgewezen.
4.2. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de vordering van [eiseres] op mr. [x] niet zou zijn verjaard heeft het volgende te gelden. Het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 11.344,50 (de helft van fl. 50.000,--) is gebaseerd op de brief van mr. [x] van 6 januari 1998. Mr. [x] heeft bij conclusie van antwoord en ter comparitie over het bedrag verklaard dat het enkel was bedoeld om de verzekeraar tot vergoeding van een bedrag te bewegen maar dat het bedrag als zodanig nergens op was gebaseerd. [eiseres] had – mede gezien de betwisting zijdens mr. [x] – niet kunnen volstaan met het overnemen van het in de brief van 6 januari 1998 genoemde bedrag en de door haar gestelde schade middels verifieerbare gegevens dienen te onderbouwen. Nu een concrete onderbouwing van de vordering zijdens [eiseres] ontbreekt had de vordering ook hierom moeten worden afgewezen.
4.3. [eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van mr. [x] worden begroot op:
- vast recht € 300,--
- salaris procureur € 904,-- (2 punten × tarief € 452,--)
Totaal € 1.204,--
De door mr. [x] gevorderde veroordeling in de nakosten en betekeningskosten wordt op grond van het bepaalde in artikel 237 lid 4 Rv Pro afgewezen.
De rechtbank wijst de vordering die strekt tot veroordeling tot betaling van wettelijke rente over de proceskosten binnen 14 dagen na wijzen van het vonnis af, omdat het niet aan de rechtbank is om een partij ten aanzien van zijn betalingsverplichtingen (bij voorbaat) in verzuim te brengen.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van mr. [x] tot op heden begroot op € 1.204,--,
5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Molema en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2008.?
Fn: 402