ECLI:NL:RBLEE:2008:BD4784
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Handhaving erfdienstbaarheid ondanks beëindiging rietverwerkingsactiviteiten
In deze zaak vorderden [a] c.s. dat de erfdienstbaarheid, gevestigd ten behoeve van het perceel van [c] en ten laste van hun perceel, zou worden opgeheven omdat [c] geen redelijk belang meer zou hebben na het beëindigen van zijn rietverwerkingsactiviteiten. [c] gebruikte de erfdienstbaarheid nog steeds om met gemotoriseerde voertuigen bij de oostelijke ingang van zijn schuur te komen en stelde dat het belang niet uitsluitend aan de rietverwerking was verbonden.
De rechtbank overwoog dat artikel 5:79 BW Pro bepaalt dat een erfdienstbaarheid kan worden opgeheven indien het redelijk belang ontbreekt en niet zal terugkeren. De rechtbank vond dat [a] c.s. onvoldoende hadden onderbouwd dat het redelijk belang van [c] was komen te vervallen. Het gebruik van het pad was niet beperkt tot de rietverwerking en ook al is er een westelijke toegangsdeur, het belang bij het pad bleef bestaan.
Daarmee was het niet nodig te beoordelen of de rietverwerking in de toekomst zou worden hervat. De vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid werd afgewezen en [a] c.s. werden veroordeeld in de proceskosten. De voorwaardelijke vordering van [c] tot schadevergoeding wegens opheffing van de erfdienstbaarheid werd niet behandeld omdat de hoofdvordering werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid af en veroordeelt [a] c.s. in de proceskosten.