Art. 8:81 lid 1 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:82 lid 4 AwbArt. 8:84 lid 4 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Schorsing bouwvergunning wegens onvoldoende ruimtelijke onderbouwing en belangenafweging
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadeel om vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een woning en garage in het buitengebied, strijdig met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter overweegt dat het bouwplan een ernstige inbreuk maakt op het bestemmingsplan en dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom vrijstelling verleend kan worden.
De ruimtelijke onderbouwing voldoet niet aan de wettelijke eisen, omdat er geen verwijzing is naar een structuurplan en de relatie met het bestemmingsplan onvoldoende is gemotiveerd. Het feit dat de vergunninghouder eigenaar is van het perceel rechtvaardigt geen afwijking van het beleid. Daarnaast heeft het college onvoldoende rekening gehouden met de belangen van verzoeker, wiens bedrijfsvoering mogelijk nadelig wordt beïnvloed.
Gezien deze tekortkomingen is de voorlopige voorziening toegewezen en is de bouwvergunning geschorst. Tevens is de gemeente veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De bouwvergunning wordt geschorst wegens onvoldoende ruimtelijke onderbouwing en onvoldoende belangenafweging.
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
procedurenummer: AWB 08/2023
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2008 als bedoeld in artikel 8:84 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
[naam],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. P. Sipma, advocaat te Drachten,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadeel,
verweerder,
gemachtigden: R. de Boer en L. Sijtsma, werkzaam bij de gemeente Dantumadeel.
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadeel (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning (1ste fase) verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van een woning met stenen garage op het perceel kadastraal bekend gemeente [perceelnummer] (deels) en plaatselijk bekend [adres] (hierna: het perceel).
Verzoeker, die op het adres [adres] een melkveehouderij exploiteert, heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft hij zich bij brief van 17 september 2008 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81 lid 1 AwbPro een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de bouwvergunning wordt geschorst.
Het verzoek is ter zitting behandeld op 22 september 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en [vergunninghouder] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn architect E. Zwarts, werkzaam bij Adema Architecten te Dokkum.
Motivering
Op grond van artikel 8:81 lid 1 AwbPro kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.
Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Vast staat dat het bouwplan, dat voorziet in de oprichting van een burgerwoning en een garage, in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 1988, deelplan "Buitengebied 1988". Het college heeft deze strijd opgeheven door voor het bouwplan vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19 lid 1 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
Ingevolge deze bepaling -voor zover thans van belang- kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.
Volgens vaste jurisprudentie moeten naarmate de inbreuk van het project op de geldende planologische situatie groter is, aan de ruimtelijke onderbouwing van een project zwaardere eisen worden gesteld (vgl. LJN: BC9022).
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorziet het bouwplan in een ernstige inbreuk op de geldende planologische situatie; het college wil het oprichten van een burgerwoning (anders dan behorend bij een landbouwbedrijf) in het buitengebied toestaan, terwijl het bestemmingsplan dit verbiedt. Hierbij komt dat zowel de gemeente als de provincie het beleid voeren om in beginsel niet mee te werken aan verzoeken tot het bouwen van een burgerwoning in het buitengebied. Dit betekent dat aan de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan zware eisen gesteld moeten worden.
In de aan het vrijstellingsbesluit ten grondslag gelegde notitie "Ruimtelijke onderbouwing nieuwbouw woning Kooilaan 7 Damwoude" is voor wat betreft de planologische inpasbaarheid van het bouwplan niet verwezen naar een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan. Dit betekent dat in de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan moet worden op de relatie van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan, dan wel dient er gemotiveerd te worden waarom het bouwplan past binnen de toekomstige bestemming van het gebied.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het college niet, althans onvoldoende, ingegaan op de relatie van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan. Evenmin heeft het college uiteengezet dat en waarom het bouwplan past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. In de notitie is aangegeven dat de huidige woning van [vergunninghouder] aan de Doniaweg 123 te Damwoude moet wijken voor de aanleg van de Centrale As. Dit kan echter op zichzelf genomen geen reden vormen voor het college om af te wijken van zijn beleid dat hij in het algemeen niet meewerkt aan verzoeken die betrekking hebben op de nieuwbouw van een burgerwoning in het buitengebied.
In dit geval heeft het college echter gemeend een uitzondering te moeten maken op dit uitgangspunt. Het college is van opvatting dat het niet onlogisch is om mee te werken aan het bouwplan van [vergunninghouder], omdat hij eigenaar is van het perceel.
De voorzieningenrechter wil het college en ook [vergunninghouder] nageven dat het niet onlogisch is dat [vergunninghouder] een nieuwe woning wil bouwen op het perceel dat hem in eigendom toebehoort. Hiermee is echter niet gegeven dat het bouwplan in planologisch opzicht aanvaardbaar is. Uit het enkele feit dat [vergunninghouder] eigenaar is van het perceel waarop het bouwplan geprojecteerd is, volgt niet dat het bouwplan op verantwoorde wijze in het bestemmingsplan kan worden ingepast. Hieruit volgt evenmin dat het bouwplan past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.
Nu de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die artikel 19 lid 1 WROPro en de hierop ontwikkelde jurisprudentie hieraan stelt, hetgeen namens het college en namens [vergunninghouder] ter zitting ook is erkend, heeft het college niet de bevoegdheid om met toepassing van deze bepaling vrijstelling te verlenen voor het onderhavige bouwplan.
Zo al aangenomen zou worden dat de ruimtelijke onderbouwing afdoende is, zodat het college de bevoegdheid zou hebben om met toepassing van artikel 19 lid 1 WROPro vrijstelling te verlenen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij, na afweging van de betrokken belangen, waaronder die van [vergunninghouder] maar ook die van verzoeker, van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Het college heeft zich er met name onvoldoende van vergewist welke consequenties de realisatie van het bouwplan heeft voor verzoeker, in het bijzonder voor diens bedrijfsvoering. Ter zitting is duidelijk geworden dat de afstand tussen de op te richten woning en het bouwvlak op het perceel van verzoeker minder dan 50 meter bedraagt. Dit kan tot gevolg hebben dat verzoeker op grond van de Wet Milieubeheer voor toekomstige bouwplannen vergunning zal moeten aanvragen, terwijl hij in het verleden kon volstaan met een melding. Bovendien heeft het college ook voor wat betreft de belangenafweging herhaald dat het niet onlogisch is dat [vergunninghouder] een woning bouwt op zijn eigen perceel. Dit is echter onvoldoende om de belangenafweging in het nadeel van verzoeker uit te laten vallen.
De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat aanleiding bestaat de bouwvergunning te schorsen. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.
Gelet op het bepaalde in artikel 8:41 junctoProartikel 8:82 lid 4 AwbPro bepaalt de voorzieningenrechter dat de gemeente Dantumadeel het door verzoeker gestorte griffierecht van € 145,00 dient te vergoeden.
De voorzieningenrechter acht tenslotte termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling op grond van art. 8:75 junctoProart. 8:84 lid 4 AwbPro. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoeker € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift: 1 punt, verschijnen ter zitting: 1 punt, gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Dantumadeel aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 27 februari 2008 tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;
- bepaalt dat de gemeente Dantumadeel het betaalde griffierecht van € 145,00 aan verzoeker vergoedt;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644,00, aan hem te vergoeden door de gemeente Dantumadeel.
Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2008, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.
w.g. J.R. Leegsma
w.g. E. de Witt
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.