ECLI:NL:RBLEE:2008:BG0287

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
15 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
90192 / HA ZA 08-551
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tot opheffing conservatoir beslag op motorschip

In deze zaak heeft Goudberg q.q. conservatoir beslag gelegd op een motorschip type Sulver 14.50. [x] vordert in reconventie bij voorlopige voorziening de opheffing van dit beslag. De rechtbank beoordeelt of aan de voorwaarden van artikel 223 Rv Pro is voldaan, waaronder het spoedeisend belang.

[x] stelt dat hij de helft van het jaar op het schip verblijft en het schip nu niet kan gebruiken, wat volgens hem een spoedeisend belang vormt. De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om het spoedeisend belang aan te nemen. Daarnaast weegt het belang van Goudberg q.q. om het schip in de boedel te houden en verduistering te voorkomen zwaarder dan het gebruiksbelang van [x].

De rechtbank merkt op dat [x] gedurende het beslag het schip mag gebruiken en dat een bankgarantie van €140.000 is aangeboden, maar dat niet is gebleken dat dit bedrag de waarde van het schip dekt. Daarom wijst de rechtbank de voorlopige voorziening af en veroordeelt [x] in de proceskosten van €452. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere procedure en mogelijke schikking.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening tot opheffing van het conservatoir beslag af wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 90192 / HA ZA 08-551
Vonnis in incident van 15 oktober 2008
in de zaak van
RINKE MARTIN GOUDBERG
in hoedanigheid van curator,
wonende te Heerenveen,
eiser in conventie in de hoofdzaak,
verweerder in reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het incident in reconventie,
advocaat mr. R. Verdonk,
tegen
[x],
wonende te Sneek,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiser in reconventie in de hoofdzaak,
eiser in het incident in reconventie,
advocaat mr. E.C.J. Ris.
Partijen zullen hierna Goudberg q.q. en [x] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie, de vordering in reconventie tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening
- de incidentele conclusie van antwoord in reconventie.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. [x] vordert dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Goudberg q.q. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2. Goudberg q.q. heeft conservatoir beslag tot afgifte en/of levering op het motorschip type Sulver 14.50 laten leggen. [x] vordert in reconventie bij voorlopige voorziening opheffing van dit conservatoir beslag.
2.3. Op grond van artikel 223 Rv Pro is voor het slagen van de gevorderde voorlopige voorziening van belang dat a) de hoofdzaak aanhangig is, b) de voorziening samenhangt met de hoofdvordering en c) dat er een spoedeisend belang bestaat bij de vordering. Terzake het spoedeisende belang is voldoende dat komt vast te staan dat van de degene die de voorziening vordert niet kan worden gevergd dat hij de afloop in de bodemzaak afwacht of dat een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing reeds toewijsbaar is. Gelet op de stand van de procedure en het verweer van Goudberg q.q. is dit laatste niet het geval. [x] heeft terzake het spoedeisende belang slechts aangevoerd dat hij de helft van het jaar op het schip verblijft en hij nu niet met het schip kan varen. Deze omstandigheden leveren een onvoldoende (spoedeisend) belang op welke toewijzing van de voorziening zou rechtvaardigen.
2.4. De rechtbank overweegt voorts dat, ook als [x] een spoedeisend belang bij de vordering zou hebben, deze vordering hem moet worden ontzegd. Gelet op hetgeen Goudberg q.q. heeft aangevoerd terzake de vordering die aan het beslag ten grondslag ligt kan voorshands niet worden geoordeeld dat [x] voldoende belang heeft bij het opheffen van het beslag. Het belang dat [x] stelt te hebben (gebruik van het schip) weegt niet op tegen het door Goudberg q.q. gestelde belang (waarborg dat het schip in de boedel terugkeert/vrees voor verduistering) bij handhaving van het beslag. Hierbij is van belang dat Goudberg q.q. onder punt 4 van zijn conclusie van antwoord in het incident in reconventie heeft aangegeven dat [x] gedurende het beslag gebruik van het motorschip mag blijven maken.
Dat [x] een bankgarantie heeft aangeboden ter waarde van € 140.000,00 maakt het oordeel niet anders nu uit hetgeen [x] heeft aangevoerd niet voldoende blijkt dat dit bedrag de waarde van het motorschip vertegenwoordigd.
2.5. Gezien het bovenstaande dient [x] als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Goudberg q.q. te worden verwezen, zoals hieronder nader zal worden aangegeven.
- salaris procureur EUR 452,00 (1,0 punt x tarief EUR 452,00)
Totaal EUR 452,00
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. wijst het gevorderde af;
3.2. veroordeelt [x] in de kosten van het incident, aan de zijde van Goudberg q.q. tot op heden begroot op EUR 452,00;
3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
3.4. beveelt partijen, desgewenst vergezeld van hun raadslieden, in persoon te verschijnen voor de rechter mr. J.A. Tromp op een door deze nader te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Gerechtsgebouw, Zaailand 102 te Leeuwarden, teneinde inlichtingen te verschaffen en een schikking te beproeven;
3.5. verwijst de zaak naar de rol van 29 oktober 2008 voor opgave van verhinderdata van de advocaten en partijen op de maandag, woensdag en donderdag in de maanden januari 2009 tot en met maart 2009, zulks conform artikel 9.2 van het landelijk rolreglement;
3.6. verstaat dat stukken welke ter zitting besproken gaan worden tenminste twee weken voor de zitting aan de rechter en de andere partij worden gezonden;
3.7. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.E. Geerlings en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2008.?